Opinies

De erfenis van 1918 gaat ons meer aan dan ooit

Zondag 11 november was het honderd jaar geleden dat om 11 uur de wapenstilstand in Compiègne een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog. Dit feit werd in Parijs en op tal van andere plaatsen in Europa herdacht. In Nederland werd op diezelfde elfde van de elfde om elf minuten over elf de jaarlijkse aftrap gegeven voor carnaval. En hoewel Mark Rutte namens Nederland in Parijs aanwezig was: het contrast tussen een hossende meute hier en herdenkende politici daar, in het Achtuurjournaal tamelijk gedachteloos (?) achter elkaar gepresenteerd, heeft toch iets bizars. Alsof de Eerste Wereldoorlog ons niet echt aangaat.
Dat was in elk geval heel lang de Nederlandse insteek; ons nationale geheugen wordt vrijwel compleet door de Tweede Wereldoorlog in beslag genomen. Zoals Frans Timmermans bij het herdenkingssymposium in het Vredespaleis afgelopen zaterdag stelde: in het Nederlandse geschiedenisonderwijs dat hij genoten had, werd in het Rampjaar 1672 gestopt, om pas met het Nieuwe Rampjaar 1940 (deze laatste term, voor alle duidelijkheid, is van mij) weer verder te gaan.
Of er, als er een Tweede Wereldoorlog was, dan toch ook een Eerste moet zijn geweest, is niet alleen een vraag die wel eens door argeloze scholieren wordt gesteld. Ook het Nederlandse publiek leek zich daar lange tijd amper van bewust, wat gelukkig inmiddels aan het veranderen is.
Met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog – die om te beginnen immers ook de Tweede baarde – worden wij in elk geval wèl geconfronteerd, en misschien inmiddels zelfs meer dan ooit. Men zou kunnen stellen dat in 1989 de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog – tweedeling van Europa in een Amerikaans en Russisch blok, inclusief die van Duitsland – ongedaan werden gemaakt, en daardoor de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog weer meer zichtbaar werden.
Dat betreft allereerst een reeks van nieuwe staten op de puinhopen van de vier verdwenen imperiale rijken in wat wel ‘Tusseneuropa’ is gedoopt: de hele sliert van kersverse landen van de Balkan tot het Balticum. Met drie euvels kampten velen daarvan toen, en kampen zij nu weer: met een gebrekkige democratische traditie, dus de hang naar autoritaire leiders; met grote minderheden als gevolg van de complexe etnische kaart, dus separatistische en irredentistische tendensen; en, daardoor, soms een sterk nationalisme. Die problemen, die lang onder de dikke deken van de Koude Oorlog waren gesmoord, zijn nu in veel landen weer terug.
Nieuw nationalisme is intussen, mede als gevolg van de ongelijke verdeling van de lusten en lasten van de globalisering, niet alleen aan Oost voorbehouden, maar zien wij eveneens in West. En het keert zich ook daar deels tegen de Europese Unie, dat als gevolg van een eenzijdig neoliberale economische koers als vehikel van die gevreesde globalisering wordt gezien. Op dat punt konden zich in Italië moeiteloos de rechtse en linkse populisten in de huidige regering verenigen.
Afkeer van Europa heeft tevens geleid tot de Brexit. Wat dat betreft was de afwezigheid van Theresa May in Parijs symbolisch: ook bij het herdenken heeft Londen voor splendid isolation gekozen. De verzoening na 1918 en 1945 was vooral een Frans-Duits project – niet toevallig ontving Macron, tegen de normale etiquette in, als laatste Merkel – en de Britten stonden daar mentaal altijd een beetje buiten. Niet alleen de door de Britse boulevardpers in stand gehouden clichés over Teutoonse barbaren voeden die afstand; eind 1989, toen Thatcher Mitterrand kwalijk nam dat hij zo makkelijk met de Duitse Hereniging instemde, bleek dat men aan gene zijde van het Kanaal zelfs de afloop van de Honderdjarige Oorlog geestelijk nog niet helemaal had verwerkt.
Intussen was de internationale herdenking in Parijs ook niet vrij van ongerijmdheden. Allereerst werd die door de Fransen weer op onnavolgbare wijze in het teken van de glorie van het eigen vaderland gezet – in dat opzicht slagen zij er toch altijd weer magistraal in om alle anderen te overtroeven. Natuurlijk: ook de overige oorlogspartijen van toen kregen in zijn lange speech een plekje. Maar verder was het weer Jupiter in Versailles: Hij sprak en Hij ontstak de vlam bij het graf van de onbekende soldaat, alle andere staatslieden waren slechts decor.
Het herinnert aan de wijze waarop Napoleon eens zijn ontvangst in Dresden in het bijzijn van alle Duitse rijksvorsten met hun eeuwenlange stambomen in scène liet zetten. Eén voor één kwamen die de zaal binnen, eerst de graven, dan de hertogen, dan de koningen, en allen werden bij de deur, die steeds iets verder openging, nauwgezet met hun eindeloze reeks van titels en voornamen aangekondigd: de hooggeboren graaf en gravin huppeldepup van zo-en-zo, de hooggeboren hertog en hertogin van dit-en-dat, hunne koninklijke hoogheden etcetera. Tenslotte gingen de deuren helemaal open, en zei de ceremoniemeester slechts: “de keizer”. Daar kunnen noch de Russen, noch de Amerikanen tegenop.
De volgende ongerijmdheid was dat Macron zo nadrukkelijk stelde dat de (althans de Franse) soldaten voor de vrijheid vochten. Ongeacht de clichés in de oorlogspropaganda van de Entente van honderd jaar geleden: dat is een veel te grove versimpeling. Anders dan de Tweede Wereldoorlog waarin het Westen tegen drie totalitaire dictaturen streed – met wel, moreel zeer ongemakkelijk, een vierde grote aan de eigen zijde – laat de Eerste zich niet tot zo’n tegenstelling reduceren. Daarin schuilt nu juist de tragiek: het was geen onontkoombare zwart-wit-strijd tussen Goed en Kwaad. Wilhelm II was geen Hitler. En tsaristisch Rusland als kampioen van de vrijheid? De Revolutie brak daar niet helemáál zonder reden uit.
Wat bovendien – en dat is de derde ongerijmdheid – het benadrukken daarvan toch wat curieus maakt, was de onvermijdelijke aanwezigheid van de nieuwe Russische ‘tsaar’ Vladimir I, die met vrijheid en rechtsorde nog minder op heeft.

Thomas von der Dunk, 12 november 2018

Europese BewegingDe erfenis van 1918 gaat ons meer aan dan ooit
read more

EBN inventariseert initiatieven die gericht zijn op versterking van Europese waarden

Bij de komende Europese verkiezingen tekenen zich in het politieke spectrum meer dan in het verleden duidelijke scheidslijnen af, met name die tussen voorstanders en tegenstanders van verdieping van het Europese integratieproces, of zelfs die tussen voor en tegen EU- lidmaatschap. Er zal dus kleur moeten worden bekend. In het artikel hieronder gaat Joost van Iersel in op enkele fundamentele dilemma’s onder meer inzake identiteit en Europese waarden. Wij zijn het eens dat een bredere kennis onder de burgers van de Europese gang van zaken een beter zicht zal opleveren op wat Europa wezenlijk betekent. Daarom ondersteunen wij het idee voor een inventarisatie van alle initiatieven in Nederland die daartoe bijdragen. Lezers die deze inventarisatie willen aanvullen, nodigen wij bij deze gaarne uit tot een reactie.

Meer aandacht nodig voor Europese waarden

door Joost van Iersel

In de opmaat naar de Europese verkiezingen zullen zich naast verschillen van mening in het traditionele partijenlandschap ook de tegenstellingen tussen open Europees georiënteerde en gesloten nationale opvattingen verder accentueren. Het is paradoxaal dat de steeds toenemende wederzijdse afhankelijkheid in Europa hand in hand gaat met een hardnekkige nationale naar binnen gerichtheid van de publieke opinie. Anti-Europese gevoelens en groeperingen staan een erkenning van een Europese identiteit danig in de weg. Daartegenover zijn er ook veel initiatieven die juist de andere kant op wijzen. Die zijn echter minder zichtbaar. Er is alle aanleiding om juist aan die initiatieven meer ruchtbaarheid en profiel te geven.

1. Context

In het algemene spraakgebruik wordt de Europese samenwerking veelal als een economisch project aangemerkt. Nu het economisch voor de wind gaat, voelt de bevolking zich tamelijk wel in en met de Europese Unie ondanks dat er veel te verbeteren valt. Ditzelfde beeld weerspiegelt zich grosso modo over het hele continent. Valt de economie echter terug, dan verbleekt het imago van Europa onmiddellijk. Cultureel en emotioneel is men niet op Europa betrokken. Daarom wordt er vaak in één zin aan toegevoegd, dat ‘Brussel’ zich met zo weinig mogelijk moet bemoeien en zich niet moet inlaten met, hoe wij hier de zaken regelen. Vooral nu steeds meer nieuwe onderwerpen in beeld zijn gekomen, zoals banengroei en vaardigheden, migratie en vluchtelingen, klimaat en energie-transitie, buitenlandse politiek en handelsvraagstukken, veiligheids- en defensiebeleid, terrorisme en criminaliteit, en recht en rechtshandhaving, komt uitdrukkelijk de vraag op tafel, tot hoever het proces van Europese eenwording kan en moet gaan. Wat houdt die eenwording idealiter in? Veel mensen willen zelfs van eenwording niet spreken. In het landelijk politiek debat bestaat er weinig klaarheid over. In de publieke opinie gaat het meestal over vage noties. Politieke tegenstellingen in eigen land zowel als ingewikkelde Europese besluitvorming en onderling scherp afwijkende posities van lidstaten dragen evenmin tot verheldering bij.

De uitdrukking economisch project is niet gelukkig. Ten eerste is Europese integratie of intensieve Europese samenwerking vóór alles politiek van aard, ook al is de economie wel het belangrijkste voertuig, zie het dominante belang van de Interne markt en de EMU. Ten tweede is het geen project, maar gaat het om een ingewikkeld samenstel van processen. Zoals hierboven aangegeven, is de boom van de Europese samenwerking of integratie is steeds breder vertakt. Regeringen, economische en sociale actoren, maar ook NGO’s van allerhande aard zowel als onderwijs- en onderzoekinstellingen en de gezondheidssector werken, samen met de Europese Instellingen, in uiteenlopende mate aan verdieping van de samenwerking. Zo ontstaat een ingewikkeld bouwwerk waarvan bepaalde vitale onderdelen vergaand worden geëuropeaniseerd, terwijl andere onderdelen zich in een (veel) beperkter stadium van gemeenschappelijke ontwikkeling bevinden. Er zijn ook tal van terreinen daarbuiten, die onder puur nationale of regionale verantwoordelijkheid blijven. Tot waar mag de besluitvorming in Brussel zich uitstrekken? Er bestaan flinke meningsverschillen in de landen zelf en tussen de lidstaten. Dit roept dan het beeld op van een Europese processie van drie passen naar voren en twee achteruit met op sommige gebieden ook langdurige stagnatie.

Overzien we echter het hele beeld over decennia, dan blijken de regeringen met het oog op de belangen van de burgers, van de politieke stabiliteit op het hele continent en van de economische weerbaarheid van Europa, al dan niet noodgedwongen, steeds nieuwe loten aan de stam van Europese samenwerking te hebben toegevoegd. De intensiteit van dit proces is voornamelijk afhankelijk van nieuwe en onverwachte uitdagingen. De creatie van de EMU hing rechtstreeks samen met de eenwording van Duitsland in 1989. De diepe crisis vanaf 2007 zorgde voor een verdieping van de EMU en voor de Bankenunie. De verhoogde aandacht voor klimaat en energie wordt ingegeven door ernstige zorgen over CO2 en de Klimaatdoelstellingen van Parijs. Veiligheid, buitenlandse politiek en defensie zijn van recente datum, maar niet meer van de agenda weg te denken als gevolg van internationale criminaliteit en terrorisme enerzijds en het vluchtelingen- en migratievraagstuk anderzijds. Ook neemt het bewustzijn snel toe, dat Europa in een vijandige wereld steeds meer zijn eigen boontjes zal moeten doppen, iets waarover vroeger nauwelijks werd nagedacht. Dit gevoel wordt versterkt door de achterstand die Europa dreigt op te lopen ten opzichte van zowel China als de VS op het terrein van de digitalisering en artificiële intelligentie met alle mogelijke economische en zelfs geopolitieke gevolgen van dien.

2. Paradox

Zo zien we dat nieuwe uitdagingen en gebeurtenissen de agenda aanzienlijk uitbreiden. De besluitvorming houdt hiermee geen gelijke tred. In de eerste plaats wordt dezelfde realiteit in de lidstaten vaak heel anders wordt beleefd. De historische en culturele achtergronden zowel als het niveau van de ontwikkeling lopen danig uiteen. In de tweede plaats lopen de prioriteiten van de landen niet parallel. Het vluchtelingenvraagstuk is misschien wel het meest evidente voorbeeld, maar in meerdere of mindere mate is het op andere gebieden vaak vergelijkbaar. Het is voor de Commissie een heidens karwei om alle landen in hetzelfde gareel te houden. Dit is nog meer een probleem, omdat op gezette tijden de nationale soevereiniteit van stal wordt gehaald als een duidelijke piketpaal van hier en niet verder. Het hele circuit van nationale en andere media helpt ook niet echt. Integendeel, juist daarin kristalliseren zich eigen posities en vooroordelen jegens anderen, die op hun beurt weer het nationale debat voeden en eerder tegenstellingen accentueren dan consensus bevorderen. En, zoals het vaak gaat, worden in de publiciteit en in het publieke debat negatieve aspecten behoorlijk uitvergroot, terwijl men evenmin terugdeinst voor de nodige scheuten fake news. Brexit is hiervan een dramatisch schoolvoorbeeld, maar ook elders liggen voorbeelden voor het oprapen, zie maar eens dicht bij huis, hoe het in Nederland jarenlang gelopen is.

De paradox is derhalve dat de Europeanen om aanwijsbare redenen op tal van gebieden steeds meer op elkaar zijn aangewezen, maar dat het Europese bouwwerk onaf is en, wat erger is, nog steeds fragiel in de stijgers staat en bedreigd wordt door het uit elkaar drijven van de lidstaten. Daar wordt niet voor niets van veel zijden voor gewaarschuwd. Terecht wordt daarom verwoed geprobeerd het debat over de geloofwaardigheid, de legitimiteit en de verantwoordelijkheid van de Unie en haar Instellingen aan te jagen.

3. Beleefde identiteit en gedeelde waarden

Ik wil het in deze korte bijdrage ook over een andere boeg gooien met het oog op een aspect, dat ik wil samenvatten onder beleefde identiteit en gedeelde waarden. Tegenstanders van de integratie betogen vaak, dat vergaande integratie noch wenselijk noch voorstelbaar is, omdat die een demos veronderstelt, die niet aanwezig is. Europa is geen volk en daarom kunnen we misschien wel op een aantal terreinen tot betere afstemming komen, maar is datgene wat supranationaal politiek gedragen moet worden in feite taboe. Het enige wat ons blijft is de nationale gemeenschap, in dit verband een tautologie voor demos. Op deze laatste stelling valt al heel wat af te dingen, maar het gaat mij hier om één specifiek element, en dat is het uitsluitend verband tussen identiteit en nationale gemeenschap.

Het lijkt me dat in ieder mens meerdere gelaagdheden schuilen, en daarmee meerdere identiteiten en meerdere loyaliteiten. Iemand kan als goed Hagenaar ook goed Nederlander zijn, daar is geen tegenstelling tussen, in de meeste gevallen is het juist een verrijking. Dat geldt evenzeer voor gedeelde identiteiten als lid van een zangvereniging, een sportclub, een regio en een stad. Die gelaagdheid van verschillende identiteiten zal niemand als een tegenstelling ervaren. De simpele vraag is, waarom een dergelijke blokkerende tegenstelling dan wel zou bestaan tussen het zijn van Nederlander en het zijn van Europeaan? Vanwaar die verkramptheid? De tegenstelling is niet met de natuur gegeven, zij bestaat, omdat zij ofwel kunstmatig wordt opgeroepen ofwel omdat er geen moeite wordt gedaan om beide identiteiten in elkaars verlengde te zien. Het is juist op dat laatste punt dat er heel wat achterstallig onderhoud bestaat, wat tot vooroordelen en wantrouwen leidt tussen volkeren of publieke opinies in plaats van tot openheid, waardering en respect. Het bevordert daarentegen tot naar binnen gerichtheid van landen en roept populisme en negativisme ten opzichte van De Ander op, die hun uitwerking in het politieke veld niet missen. Terwijl de Europeanen meer dan ooit op elkaar aangewezen zijn, kleurt het benadrukken van het eigene en nationale het zicht op alles wat daarbuiten is, negatief. Omdat deze trend in alle landen in verschillende soorten en smaken voelbaar en zichtbaar is, lijken oost en west en noord en zuid soms verschillende planeten. Brussel staat in die visie sowieso in een kwaad daglicht.

Identiteit hangt nauw samen met gedeelde waarden. Die wezenlijke waarden zijn er wel degelijk, maar zij worden vaak onder de mat geschoven. De belangrijkste waarde was vanaf het begin na de oorlog het garanderen van het vredig samenleven van de volkeren. Dit is gelukt. Maar verdere ontwikkeling heeft nadere invulling gebracht. In aansluiting op het economisch integratieproces zijn Europese waarden als democratie, rechtstaat, vrijheid van meningsuiting, mensenrechten, solidariteit en inclusiviteit, menselijke integriteit en individuele privacy, als fundamentele beginselen in onze samenleving erkend. Deze gelden ongeacht godsdienst, ras en geslacht. Zij liggen ook als zodanig neergelegd in de Europese Verdragen. Waar zij kan, probeert de Commissie als hoedster van de Verdragen om deze beginselen in al onze landen gestand te doen. We zien dit in de acties jegens Polen, Hongarije en nu dan ook Roemenië. Deze beginselen geven een concrete invulling aan de eigen identiteit van Europa. We hoeven echt maar één stap buiten ons eigen continent te zetten om te zien dat zij ofwel geheel ontbreken of bij het minste of geringste worden verkwanseld. Het zijn juist deze beginselen die de gelijke gerichtheid van de lidstaten, de common sense of purpose, in het Europese integratieproces, moeten schragen als vast fundament voor de toekomst. Het is bepaald geen rozengeur en maneschijn en ingewikkelde dilemma’s maken het evident niet gemakkelijk, maar het gaat vóór alles om de grondhouding van onze gezamenlijke verantwoordelijkheid en van de noodzaak van gezamenlijke oplossingen.

4. Initiatieven met het oog op kennis over Europa

De tegenstelling tussen de Europese en nationale oriëntatie krijgt een steeds scherper profiel, met name als gevolg van de financiële crisis en haar naweeën en het vluchtelingenvraagstuk en in dat spoor de verhouding tot de Islam. Een grote en luidruchtige minderheid in de Europese publieke opinie verwijt juist Europa dat er onvoldoende probate oplossingen voor die geweldige problemen zijn aangedragen. Anti-Europese partijen en groeperingen maken van de gelegenheid volop gebruik om zich vast te nestelen in de publieke opinie en zij hebben van daaruit ook de nodige invloed op gematigde en centrumpartijen, waardoor de broodnodige Europese gerichtheid in de meeste landen behoorlijk onder spanning staat. Brexit is hiervan het meest flagrante voorbeeld en ook stroeve onderhandelingen in Brussel spreken voor zich.

Hier tegenover staan gelukkig ook veel initiatieven, die juist de andere kant op wijzen en die borg staan voor wat hierboven is gezegd over Europese identiteit en haar waarden en voor het belang van gelijke gerichtheid. Maar deze zijn in de regel veel minder zichtbaar. In de opmaat naar de Europese verkiezingen, waarin tegenstellingen zich juist zullen uitkristalliseren zou veel meer ruchtbaarheid aan deze initiatieven te geven, die ze dan ook meer profiel geven. Ik overzie maar een beperkt deel van wat er op scholen en anderszins aan activiteiten ontplooid wordt. Europa in het onderwijs, als onderdeel van het reguliere curriculum, is in Nederland nooit aangeslagen. Gezien onze afhankelijkheid van onze nationale lotsbestemming van wat we gezamenlijk binnen dit continent en mét dit continent in de wereld voor elkaar brengen, is dit in mijn visie een strategische misser. Maar misschien hebben individuele scholen eigen interessante initiatieven. Laten die ermee voor de dag komen! Een langjarig initiatief van Buitenlandse Zaken is het op aanvraag van scholen van alle categorieën voorlichting te laten verzorgen vanuit een pool van 150 ambtenaren voor klassen. Die voorlichting is vaak ook weer gekoppeld aan schoolprojecten. De Nederlandse Jeugdraad behartigt het belang van jongeren in Europees verband, verzorgt ook gastlessen en zet zich in voor Europa in het curriculum op scholen. Nuttig is ook het onderwerp aan de orde stellen op docentendagen. De Commissie is de afgelopen jaren steeds actiever geworden. Aangemoedigd door het ongekende succes van het Erasmusprogramma, waarvan miljoenen jonge Europeanen en ook talloze docenten profijt trekken, stelt de Commissie voor de periode 2021-’27 een budget voor van €31 miljard voor Erasmus+. Op initiatief van het EP bestaat sinds 2017 in Brussel het Huis van de Europese Geschiedenis, dat naast een indrukwekkende presentatie van ontwikkelingen van de jongste geschiedenis van Europa ook plaats biedt voor ontmoetingen en symposia voor met name historici. Zie ook initiatieven als de Culturele Hoofdsteden en Europees Erfgoed naast zijn sterke particuliere tegenvoeter Europa Nostra.

Deze enkele voorbeelden kunnen nog verveelvoudigd worden met die van veel andere organisaties en bedrijven, die zorgen voor verbreding van kennis en bewustwording van wezenlijke aspecten van het Europese integratieproces. Zij worden gevoed door een gemeenschappelijke visie en staan borg voor een beleefde Europese identiteit en gedeelde waarden in lijn met gemeenschappelijk gedragen belangen. Juist in de opmaat naar de komende verkiezingen zou het de moeite waard zijn, wanneer het totale beeld door alle betrokkenen ook eens duidelijk wordt neergezet.

Joost P. van Iersel

Den Haag,
18 Oktober 2018

Europese BewegingEBN inventariseert initiatieven die gericht zijn op versterking van Europese waarden
read more

Verkiezingen met Beierse slag

Wat is de betekenis van de verkiezingsuitslag in Beieren voor Europa? Voor de Duitse deelstaat zelf wordt die als ‘historisch’ beschouwd – een woord dat overigens de laatste jaren aan sterke inflatie onderhevig is, want vrijwel elke verkiezingsuitslag in het Westen wordt tegenwoordig als historisch beschouwd. Dat gold in Amerika al in 2008 voor de verkiezing van Obama, en vervolgens in 2016 voor die van Trump, waarmee in zekere zin die van zijn voorganger ongedaan werd gemaakt. Historisch voor Beieren: hoewel nog veruit de grootste partij, is de CSU haar sinds een halve eeuw vanzelfsprekende meerderheidspositie kwijt.

De uitslag past, allereerst in een inmiddels vertrouwd nieuw Europees patroon: die van verdere politieke versplintering. De twee oude volkspartijen, de christen-democratische en de sociaal-democratische, vroeger in de meeste Europese landen dominant, verliezen zeer fors terrein. Nog dramatischer dan het verlies van de CSU is de halvering van de SPD: ooit met ruim dertig procent van de Beierse stemmen onbetwist de tweede partij, nu in München met nog geen tien procent op de vijfde plaats beland. Spanje, Zweden, Italië, Oostenrijk, Frankrijk, België en Nederland gingen Duitsland voor. Alleen bij de Britten loopt het tot dusverre anders, en houdt de indeling in twee grote machtsblokken stand, maar dat valt niet los te zien van het afwijkende verkiezingssysteem aldaar.

Ook anderszins past de uitslag bij een algemene Europese trend: de opmars van alternatieve partijen op links voor de sociaal-democratie, in casu de Groenen (ook in Nederland; in Spanje Podemos), en, vooral van (extreem-)rechtse populisten. De AfD past in dat opzicht naadloos in het onfrisse rijtje van Le Pen, Wilders & Baudet, het Vlaams Belang, de Zweden-Democraten, de Lega in Italië en anderen, die met hun xenofobe heksenjacht voortdurend tegen de beginselen van de rechtsstaat aanschuren en regelmatig door onsmakelijke uitlatingen – van homeopathische verdunning tot het Holocaustmonument als nationale schande – de pers halen. Wat de exacte vorm betreft dragen zowel die partijen als de ontsporingen van hun voorlieden vaak specifiek nationale karaktertrekken, wortelend in een verkeerd verleden dat voor elk van die landen weer anders is, maar de electorale achtergrond bij hun opkomst is een vrij algemeen Europese.

Een minachting voor het gewone parlementaire bedrijf gaat vaak samen met een voorkeur voor referenda, die dankzij het ‘Gesunde Volksempfinden’ van een vermeende zwijgende meerderheid tot andere politieke uitkomsten zou moeten leiden. Eens zijn de meeste partijen het in hun afkeer van Europa, dat als een bedreiging voor de nationale identiteit wordt afgeschilderd, en van dictatoriale neigingen ten opzichte van de lidstaten wordt beticht. Vooral de Italiaanse vicepremier Salvini buit dit thema dezer dagen in zijn begrotingsconflict met Brussel behendig uit – met een enorme populariteitssprong als resultaat.

Overigens behaalde de AfD in Beieren nu minder stemmen dan vorig jaar bij de Bondsdagverkiezingen in het hele land. Dat geeft ook meteen de grenzen aan: een substantieel deel van het electoraat is ontvankelijk voor ultrarechts gedachtengoed, maar tegelijk is het groeipotentieel niet onbeperkt. Ook Wilders – die als een van Europa’s ultrarechtse veteranen beschouwd mag worden – is in al die jaren nooit verder gekomen dan twintig procent. Dat is veraf van de absolute meerderheid.

Dat wil niet zeggen, dat dat geheel zonder gevolgen en dus zonder gevaren is. Die gevaren zijn tweeledig. Enerzijds bestaat dat uit het deels, in verzwakte vorm, overnemen van de antirechtstatelijke agenda van de rechtse-populisten door de traditionele partijen, vooral die ter rechterzijde. Dat zien wij ook in Nederland, met alle luchtballonnetjes van Dijkhoff. De CSU heeft het, uit vrees voor een nederlaag, ook geprobeerd, en daarmee het verlies naar rechts mogelijk nog iets beperkt weten te houden – wel met gevolg dat nu heel wat van haar kiezers de overstap naar de Groenen hebben gemaakt.

En anderzijds leidt het afkalven van de grote volkspartijen steeds vaker tot zogeheten grote coalities ‘om het land regeerbaar te houden’. Wat eens concurrenten waren, die met elkaar om de kiezersgunst dongen en elkaar als regeringspartij afwisselden, worden zo noodgedwongen partners. Gevolg: toenemende kleurloosheid, die nog meer kiezers van hen vervreemdt. Dat treft vooral de altijd wat minder zichtbare juniorpartner van de twee, in Duitsland nu de SPD, in Nederland onder Rutte-II de PvdA. De keuze voor regeerbaarheid op korte termijn is zo uitstel van executie: zij leidt zo bijna onherroepelijk tot onregeerbaarheid op iets langere termijn. De Grote Coalitie in Berlijn zou nu al onder de vijftig procent van de stemmen blijven steken.

Hoe valt, tenslotte, deze snelle afbraak van de grote pro-Europese volkspartijen te rijmen met de blijkens opiniepeilingen de laatste jaren weer duidelijk stijgende steuncijfers voor Europa? Het aantal voorstanders van een Nexit, Frexit, Grexit of wat voor exit dan ook is duidelijk dalende, en ook het anti-Europese monsterverbond dat nu in Rome zetelt treitert Juncker weliswaar dat het een lust is, maar durft een Italexit bij nader inzien toch niet aan.

Voor die cijfers bestaan m.i. twee verklaringen. Ten eerste het broddelwerk van de Britten: zo’n Brexit blijkt heel wat minder simpel dan clowns als Boris Johnson en Nigel Farage hun kiezers voortoverden. In dat opzicht mag Europa ook Theresa May eeuwig dankbaar zijn dat ze er zo weinig van bakt. Maar de tweede reden is iets minder geruststellend: het gaat bij zo’n enquète om een digitale keuze tussen blijven en vertrekken – tussen weten wat men heeft versus het zwarte gat. Brussel moet zich dan ook niet te rijk rekenen: over de vraag, of de kiezer ook met het daadwerkelijke Europese beleid erg tevreden is, zegt de hoge pro-EU-score niets.

Thomas von der Dunk, 18 oktober 2018

Europese BewegingVerkiezingen met Beierse slag
read more

Brussel straft Boedapest terecht – maar hoe verder?

Het Europese parlement heeft eindelijk zijn tanden laten zien door de Hongaarse regering de wacht aan te zeggen. Dat was hoognodig: zowel dat het parlement sowieso eens zijn tanden laat zien, als dat Brussel Boedapest formeel de wacht aanzegt. Gelukkig is de EVP, de christen-democratische partijenfamilie waarvan ook Orbáns Fidesz lid is, over haar schaduw heen gesprongen, en heeft zij elementaire principes boven machtsinstinct laten prevaleren. Mijn laatste column voor de zomer was daaraan gewijd. Alleen zo liet zich de tweederde meerderheid aan stemmen bijeen sprokkelen die voor het voorstel van GroenLinks-europarlementariër Judith Sargentini om een strafprocedure te starten, noodzakelijk was. Orbáns eigen stugge en provocerende houding droeg daar zeker toe bij.

Of die strafprocedure uiteindelijk ook tot het gewenste resultaat leidt – Hoingarije en Polen, het andere land dat wegens schending van de rechtsstatelijke grondbeginselen van de Europese Unie in het strafhoekje zit, hebben al aangekondigd elke sanctie en uitsluiting van de ander te zullen vetoën – is en tweede. Ondanks het risico dat daardoor de strafprocedure uiteindelijk verzandt, ontkwam het EP er niet aan, wilde Europa nog enige geloofwaardigheid als waardengemeenschap behouden.

Daarbij is het van belang – en dat loopt helaas enigszins dooreen – om strict te onderscheiden tussen de twee zaken, waarmee Hongarije uit de pas loopt. Oorzakelijk bestaat daar, gezien vanuit het land zelf, zeker een verband tussen, maar juridisch mag die niet te makkelijk worden gelegd – juist om Orbán niet voedsel te geven voor zijn onder zijn eigen kiezers in vruchtbare bodem vallende conspiratietheorieën en zo nog meer in zijn zelfgeclaimde, electoraal lucratieve rol van martelaar te drukken.

Enerzijds – en dat is wat de stap van het EP (net als die van eurocommissaris Frans Timmermans tegen Polen) rechtvaardigt – is er de evidente schending van de rechtsstaat, de opheffing van de scheiding der machten, de kneveling van de pers, de aanval op onafhankelijke NGO’s (de kwestie-Soros) etcetera, door Orbán zelf met een beroep op de volkswil (zijn tweederde meerderheid in het nationale parlement) gelegitimeerd en gepropageerd met de term ‘illiberale democratie’.

En anderzijds is er zijn door West- en Zuideuropese lidstaten veel gehekelde, moreel als egoïstisch verwerpelijke, maar politiek legale houding inzake de vluchtelingenproblematiek. Voor zijn nul-immigranten-beleid vindt hij bovendien ook meer westwaarts steeds meer medestanders – om te beginnen bij de huidige regeringen in Rome en Wenen – en het zou zeer gevaarlijk zijn, en juist Orbán in de kaart spelen, als beide zaken te gemakkelijk worden gemengd. Dat hoeft zeker niet uit te sluiten dat zijn xenofobe ommuringspolitiek politieke repercussies krijgt – maar inderdaad nadrukkelijk politieke, geen juridische.

Het Europese project is begonnen als een poging om na de catastrofe van twee wereldoorlog Frankrijk en Duitsland te verzoenen, en in dat opzicht houdt dit tot vandaag nog steeds stand, ook al staat het door de groeiende feitelijke machtsongelijkheid tussen deze twee staten onder druk. Vervolgens moest het een brug slaan tussen Noord- en Zuideuropa, het laatste al in de vorm van Italië vanaf het begin aanwezig.
Die brugfunctie loopt niet alleen door de massale vluchtelingenstroom van de afgelopen jaren, waarvoor Italië met Spanje en Griekenland bovenmatig opdraait, gevaar, maar ook door een botsende kijk op de aanpak van de bancaire crisis: waar in het noorden de verkiezingsleus ‘geen cent meer naar de Grieken’ electoraal gewin opleverde, was dat in het zuiden de belofte om een einde te maken aan de door het noorden opgelegde rigide bezuinigingen, die miljoenen Zuideuropese burgers in armoede hebben gestort. Aan het teveel negeren van hun angsten in Brussel danken wij in vergaande mate de nieuwe populistische coalitie in Italië.

De moeilijkste brug om te slaan echter, dat blijkt ook nu, is die tussen Oost- en Westeuropa, want de antidemocratische tendensen die wij in Hongarije en Polen aantreffen, vallen ook in een aantal andere lidstaten in die regio te ontwaren, soms gepaard aan een grote Poetinliefde, met wie niet alleen Orbán zijn autocratisch- nationalistische wereldbeeld deelt. Een gebrek aan democratische traditie en een veel zwakker ontwikkelde civil society maken de huidige terugval mogelijk.

Daarbij komt de geringe leeftijd van de desbetreffende natiestaten. De meeste landen tussen Duitsland en Rusland zijn dit jaar, honderd jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog, een eeuw oud, zo niet nog veel jonger – in sterk contrast tot die in de westhelft van ons continent, waar de grenzen ook veel stabieler zijn gebleken. De staatkundige kaart van Europa van 1871 verschilt hier veel minder van de huidige dan in de oostelijke helft. Anders dan die het in het westen, wier existentie en omvang vooral het resultaat van vorstelijke machtspolitiek in een ver verleden is, danken de landen ginds hun ontstaan, ten koste van de multinationale rijken (het Russische, Habsburgse en Ottomaanse) waarvan zij zo lang deel uitmaakten, aan de ontwaking en ontwikkeling van een eigen nationaal besef.

Dat maakt hen allergisch voor én elke ‘imperialistische’ bemoeienis van buitenaf én voor multiculturele verscheidenheid. Daarbij komt dan het gebrek aan koloniaal verleden, waardoor zij de voor hen nieuwe komst van veelkleurige migranten van buiten Europa als een bedreiging voor de nationale identiteit zien. Bij Hongarije draagt dan nog het etnische ‘isolement’ (er woont geen volk met een verwante taal in de buurt) en het trauma van Trianon (geen land verloor in 1918 zoveel gebied) extra aan de door Orbán nu uitgebuite bunkermentaliteit bij. Hoe daarmee om te gaan: dat vormt een van de grootste uitdagingen voor Brussel.

Thomas von der Dunk, 17 september 2018

Europese BewegingBrussel straft Boedapest terecht – maar hoe verder?
read more

De twijfelachtige Europese partners van het CDA

Het is vorige week dan eindelijk toch gebeurd: de breuk van het CDA met Fidesz, de partij van de steeds autocratischer opererende Hongaarse premier Viktor Orban. Althans, een beetje breuk, want men verzekert tegelijk toch echt in gesprek te willen blijven. En de breuk is ook niet van het CDA uitgegaan, waarvan het partijcongres een kritische resolutie inzake dat toenemend autocratische gedrag aannam, maar van Fidesz, dat met de verbolgen wijze waarop zij op die resolutie reageerde in feite de juistheid van de strekking ervan bewees.

Vreemde kostgangers in ideologisch, democratisch of rechtstatelijk opzicht: daarmee hebben of hadden alle grotere Europese partijformaties wel op hun tijd te kampen. Niet iedere politieke club, en zeker niet iedere club in de als laatste toegetreden Oost- of Middeneuropese lidstaten van de EU, heeft de morele beginselen die zij beweert te belichamen en die haar aansluiting bij zo’n grote fractie moet legitimeren, werkelijk verinnerlijkt.

In liberale kring moest de VVD als gevolg van protectie door de Duitse FDP jarenlang de Oostenrijkse FPÖ als geestverwante ‘zusterpartij’ tolereren, ofschoon deze, de facto ooit als vergaarbekken van oud-nazi’s opgericht, al heel lang eerder in de rechts-populistische hoek thuishoorde. En bij ter linkerzijde transformeerden allerlei voormalige communistische partijen na 1989 tot sociaal-democratische, zonder dat altijd even nauwkeurig naar de geloofsbrieven gekeken werd. Bij het daadwerkelijk sociaal-democratische gehalte van de Bulgaarse, Roemeense en Slowaakse broeders kunnen de nodige kanttekeningen geplaatst worden, nog van de notoire corruptie afgezien.

Maar het minst ongeloofwaardig is in al die jaren als optelsom misschien nog wel de christen-democratische familie geweest. In het Europa van de Zes was er nog geen probleem: afgezien van Frankrijk, waar als gevolg van de sterke gaullistische stroming de verhoudingen wat ander lagen, telden alle lidstaten een zeer dominante christen-democratische partij (in Nederland zelfs aanvankelijk als gevolg van de confessionele versplintering zelfs een trio). Zelfs zo dominant dat volgens een oude anecdote de dochter van de Italiaanse minister van buitenlandse zaken ooit eens tijdens een diner aan premier Drees gevraagd zou hebben, of hij het ook niet zo fijn vond in een katholiek Europa te leven….

Dat Europa van de Zes kon inderdaad nog, geografisch sterk samenvallend met het oude Karolingische Rijk, als in hoge mate katholiek gelden. Met de diverse uitbreidingen die nadien plaats hebben gevonden, is dit allengs minder geworden. Daarmee kwamen er ook landen bij, waarin het aan een christen-democratische traditie ontbrak. Om in de concurrentieslag om de positie van grootste fractie in het Europese Parlement niet bij de sociaal-democraten achter te blijven, heeft dit nij de EVP soms tot een opvallend gebrek aan kieskeurigheid geleid.

Zo waren ook de Britse Tory’s jarenlang van de partij, ofschoon Thatchers dictum “There is no such thing as society” na de omarming van een genadeloos neoliberaal hyperkapitalisme toch moeilijk te rijmen viel met het christen-democratische kernconcept van het maatschappelijk middenveld. Na de implosie van de Italiaanse Democrazia Cristiana werd Berlusconi’s personalistisch-populistische Forza Italia welkom geheten, terwijl de partijleider toch moeilijk als fakkeldrager van christen-democratische familiewaarden kon worden gezien.

En bij de Spaanse Partido Popular vallen mede uit democratisch oogpunt enige kanttekeningen te plaatsen, als erfgenaam van het franquisme, wat zich tot op de dag van vandaag in een uitermate rigide centralistische staatsopvatting vertaalt, die in sterke mate debet is aan de impasse in Catalonië. Premier Rajoy is stug blijven vasthouden aan de misvatting dat men politieke conflicten van separatistische aard, waarbij de legitimiteit van de instituties zelf ter discussie staat, met juridische en politionele middelen kan oplossen. Democratie komt hier nog teveel op het dictaat van de meerderheid neer: dat U Spanjaard bent, bepaal ik!

Tot nu toe is in elk geval niet naar buiten toe gebleken, dat het lidmaatschap van de EVP hier matigend heeft gewerkt, en dat de christen-democratische zusterpartijen hun invloed ten goede hebben trachten uit te oefenen. In dat opzicht had men nu een voorbeeld kunnen nemen aan Italië, waar vanaf het eind van de jaren zestig progressieve christen-democraten (samen met de socialisten) aan de wieg stonden van een serieuze staatkundige decentralisatie, die bijvoorbeeld ook aan het ooit (net als in Baskenland) in bomaanslagen resulterende conflict rond Zuid-Tirol een einde heeft gemaakt.

Maar de meest dubieuze partners vonden de christen-democraten net als de sociaal-democraten wel in de nieuwe lidstaten in het Oosten. Fidesz vormt daarbij ongetwijfeld het grootste probleemgeval. De metamorfose van Orban van anticommunist tot pro-Russische autocraat heeft men te lang uit machtspolitiek opportunisme op zijn beloop gelaten. Orbans openlijke, provocatieve omarming van het Poetiniaanse concept van een ‘illiberale democratie’ had al veel eerder tot uitsluiting uit christen-democratische kring moeten leiden. Hopelijk komt het er nu van, nu Fidesz zelf het CDA de wacht heeft aangezegd.

Niet alleen de EVP, maar ook de hele EU staat, waar het Hongarije (en ook Polen) betreft op een principiële tweesprong. De wijze waarop Orban met een beroep op zijn ‘democratisch mandaat’ doelbewust de rechtstaat onttakelt, valt, nog los van de xenofobe en antisemitische tendensen waarmee een en ander gepaard gaat, op geen enkele wijze te verenigen met de waarden waarvoor Europa dient te staan. Het is in elk geval goed als dit nu bij de komende begroting inderdaad financiële consequenties gaat hebben, maar daarbij zou het niet mogen blijven.

Thomas von der Dunk, 13 juni 2018

Europese BewegingDe twijfelachtige Europese partners van het CDA
read more

Rome dwingt Brussel tot herijking van Europa

‘Verkiezingen doen er niet toe’. Aldus in 2015 de arrogante en voorspelbaar kortzichtige strekking van de reactie van de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble, nadat met de stembuszege van Syriza uit protest tegen draconische bezuinigingen, die voor veel modale Grieken in een welvaartsverlies van dertig procent resulteerden, de zittende regering was weggevaagd. Nederland behoorde tot de landen die zich toen het meest onverbiddelijk opstelden. Even eerder was het in Den Haag direct tot een regeringscrisis gekomen, toen het inkomensafhankelijk maken van de zorgpremie ook in welvaartsverlies dreigde te resulteren, voor de beterbetaalden – niet van dertig, maar van drie procent.

‘Verkiezingen doen er niet toe’: met de Europese weigering zich iets van de onwelkome Griekse kiezersuitspraak aan te trekken, werd in Griekenland, waar de democratie geboren heet te zijn en dat aan dat romantische gymnasiumsentiment überhaupt zijn vroege EEG-lidmaatschap dankte, de democratie de facto afgeschaft. En vervolgens ging Brussel weer over tot de orde van de dag.

De bijvangst van die struisvogelpolitiek vormt de situatie in Italië, die voor menigeen in de Brusselse bubbel als een schok kwam, maar daarentegen voor iedereen die de afgelopen jaren wèl een beetje had opgelet, geenszins onverwacht. Ook in Italië hebben de bezuinigingen er veel forser ingehakt dan menig Nederlands kiezer ooit verdragen zou. In het zuiden is – net als in Spanje – een derde van de jongeren werkeloos, en de situatie economisch uitzichtloos.

Dat verklaart mede de populariteit van de Vijfsterrenbeweging en de Lega, nadat de klassieke regeringspartijen door het Noordeuropese monetaire fetisjisme te weinig ruimte was gegund om aan de zorgen van hún kiezers tegemoet te komen. Zorgen die – zie de groeiende armoede – in elk geval terechter zijn dan die van degenen die wegens die iets hogere zorgpremie in opstand kwamen. Althans, zo ziet men dat in het Zuiden, en zolang het Zuiden een belangrijk deel van de Europese Unie vormt, is wat het Zuiden vindt ook voor het Noorden van belang.

Italië is geen Griekenland. Waar Brussel Athene nog kon negeren en koeioneren, lukt dat met Rome niet. Daarvoor is de – na de Brexit – derde economische macht binnen de EU voor haar functioneren gewoon te cruciaal. En hier kan wèl enige oude gymnasiumkennis wat helpen: weliswaar zijn de Italianen sinds de ondergang van het Romeinse Rijk militair niet meer erg succesvol geweest – zelfs Mussolini kon indertijd amper Albanië en Abessinië aan – op andere vlakken geldt dat niet.

Vooral beschikken de Italianen over een ongeëvenaard taai vermogen om door geraffineerde vormen van diplomatie en obstructie – en diplomatie ís een geraffineerde vorm van obstructie – de zaken naar hun hand te zetten. Dat geldt voor de Italianen individueel in de verhouding met hun eigen overheid, en dat geldt ook voor de Italianen collectief in de verhouding van hun staat tot de buren.

Het Fortuynsiaanse ‘Ik zeg wat ik denk’: dat is namelijk niet zo aan hen besteed.  Hoewel na 1914 de zwakste van de zes Europese mogendheden, haalde Rome er, door tijdig van front te wisselen en Entente en Centralen tegen elkaar uit te spelen, het meeste uit. En in 1945 slaagde Rome er, opnieuw door tijdige frontwisseling, zelfs in zich naar de rol van mede-overwinnaar op Nazi-Duitsland te bluffen.

Brussel heeft nu ontzet op de plannen van de nieuwe Italiaanse regering gereageerd: verhoging van de pensioenleeftijd en forse belastingverlagingen, resulterend in miljarden aan ongedekte uitgaven, herziening van het stabiliteitspact. Met stug roepen: allemaal hóógst onverantwoordelijk en dus ontoelaatbaar en ononderhandelbaar, komt men er niet (en zeker Den Haag staat, als recidiverende fiscale spookrijder, na de eenzijdige afschaffing van de dividendbelasting moreel niet sterk om over andermans belastingdouceurtjes belerende preken af te steken).

Want wat, als Rome zich van het gedreig van de anderen weinig aantrekt, omdat het – o foei! – zich op een democratisch basisbeginsel beroept, namelijk de wens om naar de eigen kiezers te luisteren? Wil men het land dan soms politiek isoleren en financieel verder afknijpen? Dat eerste heeft al na Haiders regeringsdeelname niet met Wenen gewerkt, en het tweede zal de problemen slechts vergroten. Een boete voor een land dat al diep in de schulden steekt: dat zal echt helpen!

Los daarvan: met een assertief Rusland en Turkije, met onhandelbare autocraten in Warschau en Boedapest, met steeds moeizamer Brexitonderhandelingen met een Londen dat niet eens lijkt te weten wat huiswerk doen is, met Trumps opblazen van het atoomaccoord met Iran en een volkomen onberekenbaar Amerika, kan Europa er inderdaad ook nog een hoogoplopend conflict met Italië bij hebben.

Brussel hoopt nu dat het in de praktijk meevalt, zoals men dat ook bij Trump hoopte. Maar Trump valt niet mee, en dit zal ook niet meevallen. En misschien is dat ergens maar goed ook, want als het nu teveel zou meevallen en de EU daardoor als vanouds voortdendert, zou het een volgende keer, als gevolg van nog heviger teleurgestelde kiezers, nog heel wat erger kunnen worden.

Als in één van de oprichterstaten van de EU eurosceptische partijen de meerderheid behalen, wordt het voor Brussel hoog tijd de oorzaken van die euroscepsis eens serieus te nemen. Zoals de nieuwe coalitie in Rome het wijd verbreide ongenoegen formuleert: de regels worden teveel gemaakt door ongekozen Europese technocraten die meer oog hebben voor grote bedrijven en banken dan voor de belangen van burgers. Politiek zien zij als een stoorzender bij de doorvoering van ‘objectief noodzakelijk’ en niet voor discussie vatbaar beleid. De kiezer: dat is de laatste die zij kunnen gebruiken. Wel, die pikt dat niet meer.

Als in een democratie verkiezingen ‘er niet meer toe doen’, dan beginnen ze er namelijk pas echt toe te doen. Hopelijk begrijpt Brussel nu eindelijk die les.

 

Thomas von der Dunk, 23 mei 2018

administrator_ebnRome dwingt Brussel tot herijking van Europa
read more

Juncker is ver over de datum

Wat bezielt in hemelsnaam de Europese Commissie? Hoeveel eigen glazen gaat zij nog ingooien? Als hij de tegenstanders van Europa extra munitie wil verschaffen, moet Jean-Claude Juncker vooral zo doorgaan. Twee recente blunders kan hij op zijn conto schrijven, die illustreren hoezeer hij van de buitenwereld losgezongen is en hij zijn politieke houdbaarheidsdatum overschreden heeft.
De eerste is uiteraard de kwestie-Selmayr: de achterbakse promotie van een persoonlijke favoriet, die voor een groot deel van het Europese electoraat een schoolvoorbeeld zal vormen van het ouderwetse internationale old-boys-network van handjeklap, waarmee Brussel toch al zo sterk wordt geassocieerd. En de obstinate verdediging van Juncker en de zijnen van de bewandelde weg maakt het alleen maar erger – inclusief zijn hautaine bejegening van alle critici.
Terecht maakt het Europese Parlement van de kwestie – en speciaal ook van dat laatste punt – een groot nummer. Alleen faalt het vervolgens met de weigering echt door te bijten, omdat de twee grootste fracties – de christen-democraten en de sociaal-democraten – er uiteindelijk geen politieke consequenties aan durven te verbinden. Dat zou evenwel wel moeten, als het parlement – de enige instantie met democratische legitimatie in Brussel – echt macht en gezag wil krijgen.
En het zou ook de logische consequentie zijn van de politisering die Juncker zélf heeft nagestreefd: niet meer die oude afhankelijkheid van de nationale regeringen, die in samenstelling en optreden van de commissie tot een balanceeract tussen de hoofdsteden dwong, maar een eigen mandaat, direct gebaseerd op het Europese electoraat als geheel. Dat wordt vertegenwoordigd door het Europese parlement.
Ja: dat zou de moed moeten hebben om Juncker desnoods naar huis te sturen, als hij halsstarrig weigert inzake Selmayr op zijn schreden terug te keren. En als dat dan de val van de hele commissie betekent, dan moet dat maar. Eén keer stevig doorpakken is voldoende voor twee wezenlijke democratische verbeteringen: het (be)vestigt het primaat van de volksvertegenwoordiging, en maakt een einde aan de chantage-mogelijkheid die de Europese Commissie nu bezit om het politieke voortbestaan van één deraillerend lid (al is het de voorzitter) aan dat van alle anderen te koppelen, en zich daarmee de facto politiek onaantastbaar te maken.
Die noodzaak tot correctie geldt overigens ook voor die andere recente uitglijder van de commissie: het al eerder eens door Juncker gelanceerde idee om de Europese Unie op korte termijn met een aantal staten op de Westelijke Balkan uit te breiden. We zien hier een trekje dat Juncker gemeen heeft met menige CEO van een groot bedrijf. Stilstand heet achteruitgang: we moeten altijd groeien. Zoals in het hedendaagse hyperkapitalisme ondernemen vooral overnemen geworden is, zo wil ook de Europese Commissie nu met overnames de vlucht naar voren wagen: de eerste westelijke Balkanlanden moeten vanaf 2025 bij de EU. In 2025!
Ieder die ook maar iets weet van de hardnekkige corruptie in landen als Albanië en Macedonië, die nauw verweven is met een diepgewortelde cliëntelistische maatschappijstructuur, beseft dat het een volslagen illusie is om te denken dat deze landen in slechts zeven jaar tijd (!) aan de Kopenhagencriteria zullen voldoen. IS de les van de voorbarige toetreding van Roemenië en Bulgarije – nu al elf jaar lid en nog vrijwel geen stap opgeschoten – totaal vergeten?
Misschien dat het er straks, net als indertijd met Boekarest en Sofia, ook in Tirane en Skopje op papier mooi uitziet, maar papier is in deze contreien geduldig. Een echte metamorfose van de maatschappij, zodat zij daadwerkelijk aan de Europese criteria van democratie, rechtstaat en fatsoenlijk bestuur voldoet, is niet een kwestie van een paar jaar, maar van generaties.
En wat als die landen, dankzij mooie papieren, zijn toegetreden, en het vervolgens inderdaad allemaal façade blijkt te zijn, of de boel weer ontspoort? Heeft Brussel dan echt de mogelijkheid om falende lidstaten in het gareel te dwingen? Het uitzichtloze geworstel met de steeds autocratischer regeringen in Warschau en Budapest die elkaar wederzijds de hand boven het hoofd houden, mede uitvloeisel van een vetorecht voor alle lidstaten, geeft het antwoord.
Daarbij is bovendien aannemelijk dat de machthebbers in zulke nieuwe Balkanlidstaten eerder de illiberale opvattingen van Orban en Kaczynski delen, en dus hun kamp zullen versterken. Omgekeerd zal een Europese Unie waarin die stem zwaarder klinkt de euroscepsis bij het electoraat in de ‘oude’ lidstaten slechts verder versterken. Het ‘geen cent meer naar de Grieken’ zal dan nog luider klinken, en de – vergeefse – roep om ‘eerst hervormen, dan pas betalen’ ook.
Alleen in een vlaag van volslagen verstandsverbijstering kan dus een verantwoordelijk politicus suggereren dat de Europese Unie heel snel verder uitbreiden moet. Toch vraagt ook politiek verstandsverbijstering om een verklaring. Een van de argumenten voor die haast is de angst voor uitbreiding van de Russische, Turkse of Chinese invloedsfeer, als Brussel stil blijft zitten.
En inderdaad schuilt vooral in de Chinese expansie een groot probleem. Maar die zou vooral moeten dwingen tot heroverweging van een verblind neoliberaal beleid, waarbij de Grieken in het kader van de ‘privatisering’ de haven van Piraeus aan Peking hebben moeten verkopen – dat is dus nu een omgekeerd Hong-Kong – en tal van Europese landen, waaronder Nederland, vanwege kortetermijnsprofijt op nationale handelsmissies hun technologische kennis aan China verpatsen.
En wat tenslotte de Westelijke Balkan betreft: het is zeker van geostrategisch belang deze regio nauwer aan Europa te binden. Maar dat kan dan de eerste decennia niet anders zijn dan in de vorm van een B-lidmaatschap zonder stemrecht, want anders blaast de EU zich om bovengenoemde redenen op termijn zelf op.

Thomas von der Dunk, 23 april 2018

Europese BewegingJuncker is ver over de datum
read more

Den Haag heeft niet het juiste antwoord voor de EU

De Italiaanse verkiezingen liggen nu al weer drie weken achter ons, en nog steeds is er in Rome geen witte rook. Nederlandse kranten hebben, voor zover ik kan nagaan, sinds de verontrustende uitslag bekend werd, niets meer over de vorming van een nieuwe regering bericht. Eén ding valt sinds zondag 4 maart niet te ontkennen: de Italiaanse kiezer heeft een groot probleem met de Europese Unie, en daarmee heeft Brussel er een groot probleem met Rome bij. De helft van de stemmen ging naar uiterst eurosceptische partijen, die bovendien een zekere sympathie voor Poetins Rusland aan de dag leggen – een van de andere grote problemen, waarmee Europa momenteel worstelt.
Voor Brussel zal het behoud van Italië voor Europa de komende jaren topprioriteit (moeten) zijn, omdat het verlies van het Italiaanse vertrouwen nog veel zwaarwegender politieke consequenties heeft dan de Brexit. De Britten hebben er altijd bijgehangen en waren eigenlijk vooral lid om zo verdere Europese integratie te verhinderen, Italië is er historisch veel nauwer mee verbonden en behoort als een van de oprichtingsstaten tot de kern.
De redenen voor de nederlaag van de sociaal-democraten en het uitblijven van een zege voor een serieus, eveneens pro-Europees gematigd-rechts alternatief – Berlusconi, die er electoraal ook weinig van bakte, kunnen we alleen al om zijn heimelijke bewondering voor het ‘sterke leiderschap’ van Poetin moeilijk als zodanig beschouwen – heeft uiteraard diverse oorzaken. De massale afkeer van de gevestigde partijen was óók een vorm van verzet tegen de notoire corruptie met bijbehorend cliëntelisme: wie niet over de juiste contacten beschikt komt, ongeacht zijn opleiding, vaak moeilijk aan de bak.
Maar daarnaast speelt een belangrijke rol dat veel Italianen zich door de rest van Europa in de steek gelaten voelen – zowel financieel als inzake de vluchtelingenproblematiek. Het strenge, door Schäuble doorgedruktee bezuinigingsbeleid dat Brussel een aantal landen oplegde, heeft vooral in het zuiden – waar de linkspopulistische Vijfsterrenbeweging de grote winnaar was – tot massale (jeugd)werkeloosheid en armoede geleid; op veel mededogen vanuit het noorden kon men er niet rekenen. Tegelijk heeft juist Italië (met Griekenland) veruit de meeste asielzoekers te verwerken gekregen; bijna alle andere landen hielden met een beroep op de Dublinverordening angstvallig de deuren dicht.
En daar komt ook de naarbinnen gerichte, en weinig solidaire blik van Den Haag om de hoek kijken. De belangrijkste insteek van alle kabinetten-Rutte was, met de hete adem van de eigen rabiaat-rechtse populisten Wilders en Baudet in de nek, om van Europa vooral de lusten en niet de lasten te hebben. Wat het zuiden betrof, werd ook op het Binnenhof met monotone regelmaat de grijsgedraaide plaat afgedraaid dat men eerst maar eens moest ‘hervormen’.
Dat laatste gebeurt nog steeds. Premier Rutte, die eindelijk begon in te zien dat hij voor een visie op Europa niet langer met verwijzing naar de oogarts kon volstaan, kwam met een antwoord dat in feite op meer van hetzelfde neerkwam: alleen Europese steun voor Italië als dit eindelijk ‘hervormde’. De sociale ellende die al die ‘hervormingen’ teweeg hadden gebracht, waren niet ons probleem. Ik zou zeggen: sinds 4 maart zijn zij dat wèl, omdat Europa door het negeren van die ellende miljoenen Italianen van zich heeft vervreemdt.
En de politieke gevaren die dat met zich meebrengt, worden in Parijs en Berlijn scherper gezien dan in Den Haag. Voor Nederland is Europa vanouds, van een paar begeesterde idealisten afgezien, vooral een economisch project: we zijn lid om makkelijker onze kaas te kunnen verkopen. De afgesleten meer-markt-mantra die ook Rutte weer in zijn Europa-speech ophoestte, past daar naadloos in.
Voor de Fransen en Duitsers is Europa daarentegen allereerst een politiek project – weliswaar met economische middelen, maar dat is iets wezenlijks anders. Het vormt voor hen een antwoord op twee catastrofale wereldoorlogen op basis van de Frans-Duitse ‘erfvijandschap’, waaraan ook Rome zijn (wisselvallige) aandeel had. Prioriteit nummer één in de jaren vijftig was niet om de zaken zo te organiseren dat er meer kaas werd gefabriceerd, maar minder kanonnen.
Nu de even eenzijdig-economisch georiënteerde Britten binnenkort wegvallen, moest Rutte voor voortzetting van zijn rigide monetaire koers op zoek naar nieuwe bondgenoten, die hij vervolgens in zeven kleinere noordelijke landen vond. Volgens latere berichten zou Berlijn het initiatief van Nederland en de Zeven Dwergen volmondig toejuichen, maar dat ligt vermoedelijk toch iets ingewikkelder.
Zeker deelt Duitsland vanouds de Nederlandse ‘protestantse’ kijk op overheids-finan¬ciën en vooral begrotingstekorten, die haaks staat op de laissez-faire-benade-ring van de meeste katholieke Zuideuropese landen, waar ingeval van internationaal oplopende economische achterstand in het pre-Euro-tijdperk altijd naar het paardenmiddel van devaluatie gegrepen kon worden om de verhoudingen weer in balans te brengen. Maar Berlijn zal dit Noordeuropese initiatief vooral zien (en gebruiken) als potentieel drukmiddel om de door Parijs aangevoerde zuidelijken een beetje bij de les te houden, zonder zichzelf al te impopulair te hoeven maken.
Als het er echt op aan komt zal namelijk voor Duitsland de relatie met Frankrijk en het Europese behoud van Italië terecht zwaarder tellen dan alle Hollandse kren-ten¬wegerij. En wel, omdat betalingsbalans en begrotingstekort uiteindelijk finan-ciële abstracties zijn, en honger, kou en werkeloosheid niet. De electorale conse-quen¬ties van het negeren van die laatste waarheid zijn nu in Italië duidelijk gewor-den. Het is precies dit punt, waarop de SPD, teneinde bereid te zijn om opnieuw met Merkel in zee te gaan, vastbesloten is dit keer in Europa het verschil te maken.

Thomas von der Dunk, 30 maart 2018

Europese BewegingDen Haag heeft niet het juiste antwoord voor de EU
read more

Dreigt door de Duitse Groko nu Europese overmoed?

 

 

In Berlijn zijn ze er (voorlopig) uit, en in Brussel haalt men vast opgehaald adem: de GroKo, de Große Koalition van de twee Europagezinde oude volkspartijen CDU/CSU en SPD wordt, ondanks zwaar verlies van alle drie bestanddelen bij de jongste Bondsdagverkiezingen, voortgezet. Mits de SPD-leden ermee instemmen, en dat is nog niet gezegd.

Die staan in elk geval voor een onmogelijk dilemma, want aan beide keuzes kleven grote risico’s. Afwijzen zou Duitsland nu in politieke chaos kunnen storten, instemmen mogelijk hetzelfde over vier jaar. Waar de Duitse christen-democraten en sociaal-democraten een paar decennia samen ruim boven de tachtig procent van de kiezers scoorden, is dat aandeel nu gedaald tot amper de helft. Dat is niet zonder oorzaak. Een nieuwe GroKo zou, omdat zij beide partijen nog meer kleur doet verliezen en zo mogelijk nog meer kiezers naar de randen zal verjagen, wel eens in 2022 voor een gezamenlijke score ónder de helft kunnen zorgen, en dan keert de ‘Weimar’-paniek van de afgelopen maanden nog veel heviger terug.

Het is dus de keuze tussen instabiliteit vandaag en mogelijke instabiliteit op termijn. Inhoudelijk hebben de SPD-leden, omdat Merkel om het eerste te vermijden tot grote concessies – zowel qua regeringsprogram als qua regeringspersoneel – bereid bleek misschien niet veel redenen om voortzetting van de samenwerking af te wijzen, en daarom weinig andere keus dan om zuchtend accoord te gaan, maar uit politiek oogpunt zijn dergelijke GroKo’s ongezond.

Het versterkt bij veel burgers de indruk van een partijkartel dat, vernietigende kiezersuitspraak of niet, per se aan de macht blijft vasthouden, en daar spint de AfD garen bij. Dat is – en dat was indertijd één van de redenen van Schulz om ‘nee’ te zeggen – als gevolg van de vaandelvlucht van de FDP nu al de aanvoerder van de oppositie. Met haar tegemoetkomingen richting SPD weet Merkel straks misschien de slag om de SPD-leden te winnen, maar dreigt aan de andere kant afvalligheid. Het eerste gemor op de rechtervleugel van de CDU is al vernomen, en de CSU is niet zonder reden bang binnenkort in Beieren onderuit te gaan.

En Brussel? Dat moet zich vooral niet te rijk rekenen, nu het behalve in Parijs, ook in Berlijn op een Europa welgezinde regering kan bogen. Hoe verheugend dat op zich ook is: omdat twee zwaluwen nog geen zomer maken, en de euroscepsis onder grote delen van de bevolking daarmee nog niet verdwenen is, is enige politieke prudentie op zijn plaats. Alleen is politieke prudentie niet een eigenschap waardoor Juncker de afgelopen jaren opgevallen is.

Nu heeft hij zelfs alvast meteen maar de hele Westelijke Balkan op het uitbreidingsprogramma gezet, ook al zal geen van deze landen op afzienbare termijn aan de Kopenhagencriteria voldoen. Kennelijk heeft men, inzake voorbarige toetredingen, met Bulgarije en Roemenië zijn lesje toch niet geleerd.

Wie het vertrouwen in de Europese Unie bij de bevolking in de westelijke lidstaten wil ondermijnen, moet vooral zo doorgaan. Het zal Merkel en Macron toch al de nodige moeite kosten om andere hoofdsteden van de noodzaak van verdere integratie te overtuigen – om te beginnen Den Haag, waar het Europese beleid van Rutte-III vooral uit het ontkennen van de noodzaak van enig Europees beleid lijkt te staan, althans van enig Europees beleid dat verder reikt dan ‘de markt’. In elk geval zolang Halbe Zijlstra op BZ de scepter zwaait, maar goed, dat zal niet lang meer zijn, want die vindt binnenkort in een mooie datsja onderdak.

Evenmin zal Den Haag zich kunnen beperken tot wat geroep over de noodzaak van de Zuid-Europese landen om nu echt eens te hervormen, want dat geroep heeft in het verleden evenmin veel uitgehaald. Met het afwijzen van elk idee van kapitaaloverdracht van Noord naar Zuid, of van machtsoverdracht van de nationale hoofdsteden naar de federale, komt men er rond het Binnenhof niet. De gemeenschappelijke euro heeft ons nu eenmaal met Griekenland in hetzelfde financiële schuitje doen belanden. Dat betekent enerzijds dat Rutte de Nederlandse kiezer erop zal moeten voorbereiden dat er nog een paar centen naar de Grieken gaan – als bekend niet zijn favoriete ding – en anderzijds Juncker het Rutte niet nog moeilijker moet maken om die boodschap zonder complete afgang te verkondigen. Dat betekent: het door Bulgarije als nieuwe EU-voorzitter opgeworpen idee om binnenkort tot de eurozone toe te treden is absurd.

En verdere uitbreiding van de EU zal in de komende decennia sowieso alleen electoraal verkoopbaar zijn, als dat direct gekoppeld wordt aan een duidelijke keuze voor een Europa van twee snelheden, waarbij voor nieuwe toetreders geen volwaardig lidmaatschap is weggelegd. Om de simpele reden dat er weliswaar – met een assertief Rusland en Turkije in de buurt – heel plausibele geopolitieke redenen zijn om deze landen nauwer aan Europa te binden, maar dat men zich tegelijkertijd – indachtig ook de complete ontsporing van juist ‘kandidaatlid’ Turkije – over de worteling van democratische waarden en de waarde van papieren garanties dienaangaande geen illusies moet maken. Brussel heeft met Warschau, Boedapest en inmiddels ook Praag al genoeg te stellen, en er is weinig reden om aan te nemen dat het wereldbeeld van Sofia en Boekarest wezenlijk anders is.

Daar komt voor de westelijke Balkan bij dat het nationalisme er zo mogelijk nog weliger tiert, en Brussel ook nu, al meer dan een kwart eeuw na het bloedige uiteenvallen van Joegoslavië, er nog steeds niet in slaagt in Bosnië voor stabiliteit en verzoening te zorgen, het Servische revanchisme jegens Kosovo niet beteugeld is, en Macedonië en Griekenland elkaar in de haren blijven vliegen over de vraag: van wie is eigenlijk de erfenis van Alexander de Grote – inmiddels welgeteld tweeduizenddriehonderdeenenveertig jaar na de dood van.

 

Thomas von der Dunk, 13 februari 2018

Europese BewegingDreigt door de Duitse Groko nu Europese overmoed?
read more