Recensies

Wereldkoers – en de eenwording van Europa als cultureel project

Recensie: ‘Wereldkoers – en de eenwording van Europa als cultureel project’

Adriaan van der Staay – onder meer oud-directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) – vindt dat het emotionele belang van kunst onvoldoende wordt onderkend: “De grootgrutter is op dit moment de dominante figuur in de Nederlandse politiek”. Hij keert zich dan ook tegen een eenzijdige visie op Europa als een louter economisch project.

Van der Staay heeft zojuist een bundel essays over ‘culturele groei’ gepubliceerd. Het zijn heldere en zorgvuldig onderbouwde beschouwingen over grensoverschrijdende aspecten van culturele ontwikkelingen. De bundel valt in drie delen uiteen: de verbeelding (met als kernstuk ‘De verbeelding van de emotie’, over kunst als bindend element in de hedendaagse samenleving); Europa; de wereld (met een ‘Bezwaarschrift tegen botsende beschavingen’ (van Samuel Huntington). In de aanloop ‘Van Nederlander tot migrant’ schetst de schrijver zijn eigen ontwikkelingsgang en brengt deze in verband met de loop van de wereldgeschiedenis in de afgelopen 75 jaar.

Zijn geloof in democratisering van de samenleving en aristocratisering van de cultuur plus een mondiale visie botsen met hedendaagse neigingen tot xenofobie, fundamentalisme en geopolitiek realisme: “Het lijkt soms of de idealen van de jaren zestig zoals ik die voor mijzelf destilleerde, nog maar één toevluchtsoord in de

wereld van vandaag vinden: Europa. Europa is drager van oude spanningen tussen kosmopolitisme en identiteit, tussen aristocratie en democratie. Soms droom ik dat Europa zichzelf zal herpakken en weer de naïeve energie ontwikkelen zal, die het voor de wereld tot een spreekbuis maakt van hoop. Daarom beschouw ik de Europese eenwording als een groot cultureel project.”

Van der Staay werkt zijn visie op Europa uit in een viertal essays. Deze zijn deels gebaseerd op een beschouwing over de culturele identiteit van Europa die hij eerder voor de EBN heeft geschreven.

In het eerste essay verkent hij de geschiedenis op zoek naar eenheid. Hij stelt vast dat van een doorgaande geografische, politieke en culturele eenheid geen sprake is. Wel heeft Europa een aantal tijdperken gekend waarin sprake was van een gemeenschappelijke culturele en politieke ruimte die een flink deel van het continent omvatte. “De herinnering aan een machtig en cultureel rijk verleden zal Europa blijven inspireren (…) Europa heeft telkens energie ontleend aan het verleden, en daarin een dynamiek gevonden die zowel politiek als cultureel grenzen overschrijdt.”

In het eerste essay verkent hij de geschiedenis op zoek naar eenheid, de scheidslijnen die taal, religie en publieke moraal binnen Europa trekken. Een van de conclusies van het eerste essay is dat culturele eenheid niet hoeft samen te vallen met politieke eenheid. Dat betekent omgekeerd dat politieke eenheid géén noodzakelijke voorwaarde voor culturele samenwerking is. Kernvraag is: “Berust de Europese eenwording op een hechte overeenstemming over de publieke zaak?”

Het taalprobleem vindt hij een groot obstakel omdat de meningsvorming in Europa daardoor wordt gefragmenteerd. Maar hij vraagt vooral aandacht voor de grens tussen algemeen belang en eigenbelang. In een deel van Europa vieren ‘familisme’ en cliëntisme hoogtij en is de locale democratie slecht ontwikkeld.

In het derde essay zet Van der Staay de ‘naïeve energie’ van na de Tweede Wereldoorlog tegenover het ongeloof en de scepsis over het ‘project Europa’ van nu. Het meest ondermijnend noemt hij het intellectuele ongeloof aan de maakbaarheid van het eigen lot en van de publieke zaak. De verdere ontwikkeling van een eigen Europese identiteit is hard nodig – en deze zal vooral door de jeugd moeten worden gedragen: “Europa kan alleen bestaan als het gelooft in een verhaal over het verleden dat het herkent en waaraan het hecht, en aan de toekomstige taak die het zich toedicht. Een zich wegcijferend Europa, dat de wereld niet weet te vertellen wat het is, is een vacuüm dat gevuld wordt door andermans verhalen en belangen.”

Het vierde essay, ‘Europa en de geopolitiek’, sluit daarop aan. Het bespreekt de gevolgen van de veranderende verhoudingen in de wereld. Europa heeft een vitaal belang bij de erkenning van de Europese Unie als een evenknie van de VS, Rusland, China en India. Daarvoor moeten wel keuzes worden gemaakt.

Adriaan van der Staay, Wereldkoers – Culturele groei als mondiaal proces , uitgeverij Augustus (Amsterdam, Antwerpen) 2009, ISBN 978 90 457 0259 9, 224 pp., € 19,90.

 

administrator_ebnWereldkoers – en de eenwording van Europa als cultureel project
read more

Wat willen we eigenlijk met Europa en onszelf?

Wat willen we eigenlijk met Europa en onszelf?
Geert Mak – De Hond van Tisma

In november jl. stopte Geert Mak even met het werken aan zijn nieuwe boek Amerika, Reizen zonder John . Er was één ding dat hem nog meer bezig hield: de snel escalerende eurocrisis. Hij klom in de pen. Het resultaat is een pamflet, De hond van Tišma .

Het boekje draagt de uitdagende ondertitel Wat als Europa klapt? De omslag van het boek toont een soort collage à la Henri Matisse. Bij nader inzien is het een mozaïek van de 27 losgeslagen lidstaten. Geert Mak is pessimistisch over onze toekomst. Wat willen we eigenlijk? Met deze vraag confronteert hij ons.

Volgens Mak zijn we net als de hond van de schrijver Tišma: ‘we zitten verstijfd op een ijsschots, we weten niet wat te doen, en ondertussen varen we weg op de stroom’. De hond van Tišma had mazzel en werd door anderen gered.

Maar met ons mensen is het iets anders gesteld. Juist in deze crisistijden hebben we de neiging om ‘onze blik af te wenden om als een kip zonder kop op onze vaste paden te blijven doorlopen’. Mak wil ons wakker schudden en laten beseffen dat we historische gebeurtenissen meemaken.

De crisis is geen gewone crisis, maar een crisis die de grondslagen van de Westerse samenleving raakt, stelt de auteur terecht. Het is een economische, politieke en diepe vertrouwenscrisis. Dit mengsel explodeert nu binnen de eurozone met als katalysator de Griekse schuldencrisis.

Het uiteenvallen van de EU is ineens een reële optie geworden. Mak wil waarschuwen voor het onopgemerkt uit onze handen laten glippen van het Europese project, ons kostbaar erfgoed. Voor de meeste Nederlanders en Duitsers is de crisis nog steeds iets abstracts, stelt Mak. Dat men in Zuid Europa op de pijnbank ligt, daarvan liggen we niet wakker, verlamd door eigen angsten.

De sociale verdoving schrijft Mak toe aan de toegenomen welvaart en het infuus van de verzorgingsstaat. De kwaliteit van het leven staat presteren en noodzakelijke verandering in de weg. De politici zijn ook verlamd en als gevolg hiervan is de EU onbestuurbaar geworden.

Het Europese experiment kent eigen manco’s: ‘voortgang van voldongen feiten’ (elite project), slimme trucs, eindeloze compromissen, het gebrek aan discipline, controle, sancties en democratische legitimiteit. Mak hekelt vooral de overmoed en het triomfalisme van de huidige generatie politieke leiders. De eurocrisis noemt hij de prijs is die we voor Duitse eenwording moeten betalen. Hij hekelt ook de hypocriete opstelling van Nederland en Duitsland, die Zuid Europa in zijn ogen kapot willen straffen. ‘Met schuld en boete los je de monetaire crisis niet op’.

Europa staat niet meer voor gerechtigheid en solidariteit. Het dogmatische marktdenken en het casinokapitalisme hebben ook het Europa project ondermijnd, onze waarden zijn veranderd. De maatschappelijke infrastructuur brokkelt af, de lotsverbondenheid van de stad, de straat is weg, laat staan in Europa.

De balans is ook zoek tussen generaties. Jongeren zijn de dupe van de crisis. Volgens Mak kan hun woede buitengewoon bevrijdend werken. Voorlopig is er geen alternatief van links en rechts. We zitten op een ijsschots. Om daarvan af te komen moeten we zelf iets willen. Dat ziet Mak als probleem – dat hebben we verleerd. Is het wachten op Godot?

Ondanks alle onvolkomenheden – een chaotisch betoog, veel bombastische zinnen – is dit pamflet de moeite waard te lezen, niet als analyse van de crisis in de EU, maar als aansporing om aan een verlamming te ontsnappen. De cruciale vraag is inderdaad: wat willen we?

Malgorzata Bos-Karczewska – is hoofdredacteur van Polonia.nl, website van de Poolse Gemeenschap in Nederland

Uitgeverij Atlas / Contact, 96 blz., € 7,50, isbn 978 90 254 3920 0.

 

administrator_ebnWat willen we eigenlijk met Europa en onszelf?
read more

Spiegelpaleis Europa

Spiegelpaleis Europa

Joep Leerssen, hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam, heeft een essay geschreven over de denkbeelden over, de visies op Europa door de eeuwen heen. Het is een prachtig boek geworden: interessant, boeiend geschreven, fraai geïllustreerd. Leerssen kenschetst de Middellandse Zee als de boezem waaraan Europa oorspronkelijk ligt. Pas later verplaatst Europa zich naar het Noorden. Met de komst van het eurocentrisme, tussen 1200 en 1600, wordt de Middellandse Zee “het slagveld tussen vijandige werelddelen, de slotgracht van Europa”.

Leerssen schetst de ontwikkeling van het eurocentrisme door de eeuwen heen. Met de Verlichting komt de reflectie. Europa gaat zich bij uitstek beschouwen “als het continent dat reflecteert , dat nadenkt over de dingen die het doet en nadenkt over dat nadenken.” Vooral het zuiden en het oosten leveren contrasten met Europa op. “Het oosten is de windstreek van het despotisme”; in reactie daarop ontwikkelt Europa een westelijk zelfbeeld. Verder is het ‘echte’ Europa zich ook in toenemende mate met het noorden gaan associëren. “Noorden, dat betekent koel van klimaat, koel van temparament (cerebraal) en koel van zeden (moreel). Het zuiden is warm van klimaat, warm van temperament (gepassioneerd) en warm van zeden (sensueel). Zo worden al eeuwenlang klimaat en temperament met elkaar in verband gebracht.” Tot en met de Griekse schuldencrisis!

Vormt het huidige Europa een gemeenschap? In het voetspoor van Huizinga legt Joep Leerssen een driehoeksverband tussen samenleving, verleden en cultuur. “Cultuur is wat een samenleving van het verleden maakt; het verleden is wat de cultuur van een samenleving fundeert. Dat betekent dus ook dat ‘een samenleving’ wordt bepaald, in zijn omvang en samenhang, door de gezamenlijke culturele beleving van een gemeenschappelijk verleden.” Wil Europa een gemeenschap zijn, “dan moet er sprake zijn van een gezamenlijke rekenschap van een asymmetrisch verleden. (…) De ‘gezamenlijke rekenschap’ betekent noch een unanieme consensus, noch een vastliggende canon van algemeen bekende feiten, maar minstens ook een daaromheen zwevende nimbus aan dingen die niet bekend zijn maar potentieel herkenbaar, inleefbaar, iets waarvan men de potentiële interesse en relevantie mag veronderstellen.”

Daarbij maken grote, verrijkende verhalen deel uit van de Europese cultuurtraditie. Deze verhalen, met helden en antihelden als Don Quijote, Robinson Crusoe, Candide etc. “leren ons om ons in te leven in gemengde gevoelens, complexe ironieën, tegenstrijdigheden en verwarring.” En dat vindt Joep Leerssen hard nodig, om ons te kunnen verweren tegen zwart-wit wereldbeelden. Zijn boek biedt een veelkleurige kaleidoscoop.

Marko Bos

Joep Leerssen, Spiegelpaleis Europa – Europese cultuur als mythe en beeldvorming , Nijmegen (uitgeverij Vantilt), 2011, ISBN 978 946004069 6, 205 pp., € 19,95.

 

administrator_ebnSpiegelpaleis Europa
read more

Ons belang in Europa

Recensie: ‘Ons belang in Europa’

In mei jl. heeft het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks i de bundel Ons belang in Europa gepubliceerd. Een aantal hoofdstukken is ook nu, na de EP-verkiezingen, de moeite van het lezen zonder meer waard. Aysel Sabahog(lu en Bart Snels stellen in de inleiding dat de suggestie dat er één Nederlands belang bestaat, een vorm van antipolitiek is.

“Europese politiek is (…) echte politiek, gebaseerd op belangentegenstellingen en verschillende idealen. Suggereren dat er één Nederlands belang bestaat, is de dood in de democratische pot. Deze degradatie van de Europese politiek gaat uiteindelijk ten koste van ieders belang, hoe dat ook wordt gedefinieerd.”

Een greep uit de verschillende bijdragen. Hoogleraar politicologie Rinus van Schendelen wijst op domme en slimme vormen van belangenbehartiging in de Europese Unie. Tweede Kamerleden verkeren in een spagaat tussen nationaal bestuur en Europees beleid. Politieke partijen willen stembustoezeggingen nakomen, maar kunnen dat maar weinig waarmaken vanwege de verplaatsing van de politiek naar de EU. Volgens Van Schendelen moet de Tweede Kamer gezien worden als een branchevereniging: Haagse politici zouden er goed aan doen de contacten met de Europese collega’s aan te halen als ze de besluitvorming in de EU willen beïnvloeden.

Arbeidsrechtadvocate Diana de Wolff pleit voor meer Europese sociale politiek. Geen race to the bottom, maar bijvoorbeeld maatregelen die de positie van werknemers overal ter wereld beschermen. Zij pleit voor een Europa als motor van sociale ontwikkeling.

Hoogleraar Jan Rood, verbonden aan Instituut Clingendael, laat zien dat Europa een machtige soft power is: een unie die landen met handelsovereenkomsten, associatie- en stabilisatie-akkoorden, nabuurschapsbeleid en de mogelijkheid van lidmaatschap probeert te verleiden tot het naleven van fundamentele waarden.

Clingendael-onderzoeker Stephan Slingerland betoogt dat Nederland tot op zekere hoogte gebaat is bij een gezamenlijke aanpak van de energiezekerheid. De EU zou afspraken moeten maken over de gezamenlijke aanpak van toekomstige gascrises, zonder de baas te worden over onze gasbel.

Aysel Sabahog(lu (red.), Ons belang in Europa , Wetenschappelijk Bureau GroenLinks, Utrecht 2009.

Download deze bundel op de website van GroenLinks

 

administrator_ebnOns belang in Europa
read more

Moeizame relaties tussen Polen en Nederland

Moeizame relaties tussen Polen en Nederland

HellmavdZwanPolen en Nederland zijn overburen. De Pools-Nederlandse diplomatieke relaties zijn op weg naar 100 jaar in 2019. Maar pas met de val van de Muur in 1989, na twee eeuwen afzijdigheid, kwamen de politieke, economische en culturele relaties tussen beide landen, echt op gang. In de jaren negentig was er expansie van het Nederlandse bedrijfsleven op de Poolse opkomende markt, en sinds 2007 komen tienduizenden Poolse arbeidsmigranten naar Nederland. Beide landen zijn al zeven jaar partners in de EU. Hoe ontwikkelen zich de bilaterale relaties – worden ze intensiever en hechter?

Het boek ‘Poland and The Netherlands: a Case Study of European Relations ‘ vertelt een verhaal van moeizame officiële betrekkingen in de 20e eeuw met veel afstand en wantrouwen, vol onverwachte wendingen en teleurstellingen. Het roept het beeld op van een kille en terughoudende houding van Den Haag. Polen en Nederland zaten nooit op dezelfde golflengte, deelden geen idealen of belangen.

Daarvoor bestaan verschillende verklaringen. Ten eerste, een culturele botsing tussen de Poolse edelman en de Nederlandse koopman, die al in de 17e eeuw tot uiting kwam. Maar nadat de Nederlandse koopman zijn zaken in Polen heeft gedaan, staan de kruideniers aan het thuisfront het investeren in duurzame relaties in de weg.

Ten tweede liepen de belangen uiteen. De relaties kwamen steeds onder druk te staan van ingrijpende externe factoren. Op voor Polen doorslaggevende momenten in 1918, in 1945 en direct na 1989 liet Nederland het afweten of stelde zich terughoudend op. Deze gebeurtenissen in Polen raakten de status quo in Europa en hierdoor de kern van Nederlandse Europa politiek: het behoud van de status quo . Wat economische belangen betreft, verliest Nederland zijn belangstelling zodra de buit binnen is.

Ten derde, bepalend is de traditie (en keuze) van afzijdigheid van Nederland op het continent, eerst als maritiem land en later als pro-Atlantisch en fel anticommunistisch. Beleidsmatig waren Polen en Oost-Europa tot 1989 een terra incognita . De eerste beleidsnota over Oost-Europa verscheen pas in 1988! Opmerkelijk zijn de ontboezemingen van Edy Korthals Altes ambassadeur in Warschau van 1977 tot 1980 en zijn frustraties over het simplistische, ongenuanceerde beeld van Den Haag over Polen.

Ten vierde, kwamen de aanpassingen meestal te laat en met een bijzondere wending. Zo heeft Nederland eerst ingestemd met de NAVO- en de EU-toetreding van Polen om vervolgens daarover felle, negatieve debatten in de Tweede Kamer te voeren. Die zorgden voor een rare nasmaak. Hetzelfde geldt voor het vrij verkeer van werknemers en de openstelling van de arbeidsmarkt voor Poolse werknemers in 2007. Wat moet men in Polen hiervan denken? Dat laat zich raden. Maar helaas leren we weinig uit dit boek over hoe Warschau over Nederland denkt en wat de verwachtingen zijn. Een gemiste kans.

Dit boek is een samenwerkingsproduct van Poolse en Nederlandse historici. Ondanks de beperkingen van een conferentiebundel (geen coherente structuur en gebrek aan een algeheel oordeel) is dit boek een aanrader voor eenieder die niet alleen de Pools-Nederlandse relaties wil bestuderen maar ook belangstelling heeft voor het Nederlands buitenlands beleid in Europa.

Duco Hellema, Ryszard Zelichowski, Bert van der Zwan (red.) ‘Poland and The Netherlands: a Case Study of European Relations’

Uitgever: Republic of Letters Publishing, Dordrecht 2011
Pagina’s: 326
Prijs: 39 euro
ISBN 9789089790743 (paperback)

Drs. Malgorzata Bos-Karczewska
hoofdredacteur van Polonia.nl

 

administrator_ebnMoeizame relaties tussen Polen en Nederland
read more

Krachtproef Europa

Recensie ‘Krachtproef Europa’

Dat is de titel van het herfstnummer 2009 van Christen Democratische Verkenningen (CDV), het kwartaaltijdschrift van het wetenschappelijk instituut voor het CDA i. De redacteuren van het nummer – Theo Brinkel i, Hans-Martien ten Napel en Jan Prij – lichten de titel toe: “Verder kijken dan de eigen neus lang is. Dat was en is de krachtproef van Europa. Maar hoe dat te doen (…)? Verantwoordelijke politici praten meer dan gebruikelijk was op een zakelijke manier over Europa. Verbinding met werkbare politieke idealen blijft echter nodig om vooruit te komen.”

Krachtproef Europa valt uiteen in twee delen: ‘Het Europese ideaal’ en ‘Het Europese ideaal beproefd’. Deze worden verbonden door een essay van Ger Groot ‘Un vrai bordel’ dat de geest en de cultuur van Europa bezingt. Eerlijk gezegd is het onderscheidende verschil tussen het eerste en het tweede deel mij wat ontgaan. Dat neemt niet weg dat de bijdragen in deze bundel van een verfrissende diversiteit aan denkbeelden getuigen.

Arie Oostlander i fileert in zijn bijdrage ‘Inzet voor vrede maakt nog geen ‘gekke Henkie’ van Europa’ het verdedigen van Het Nederlandse Belang (HNB). Dat belang is om te beginnen verre van eenduidig: ieder kan zo zijn eigen opvattingen hebben over wat in het belang van ons land is. Onder de vlag van het nationale belang kunnen ook belangen van derden worden ‘meegenomen’. Maar de focus op HNB brengt al snel afgunst en krampachtig zelfbehoud met zich, en de neiging om internationale politiek te zien als een zero sum game . Deze staat haaks op het streven naar integratie. “De start van de Europese Integratie was een radicale breuk met de oude machtspolitiek, die van een egoïstisch opgevat nationaal belang uitging. Niet machtsevenwicht of hegemonie waren de instrumenten voor een duurzame vrede, maar verzoening, vertrouwen en het delen van soevereiniteit in een waardengemeenschap.” (p. 43).

Oostlander is een van de weinigen – in deze bundel en binnen het CDA – die de term ‘integratie ’ nog bezigt. De redacteuren wijzen erop dat deze term inmiddels vrij stelselmatig is vervangen door ‘samenwerking ’. In 2002 schreef de toenmalige en huidige CDA-leider i nog “Alleen een ondubbelzinnige keuze voor een sterk en federaal Europa met hervormde instituties kan een antwoord zijn op de vraagstukken die zich in het Europa van vandaag en morgen voordoen.”

Na het referendum van 2005 worden dergelijke uitspraken niet meer gehoord. André Szász (‘De euro: munt zonder staat en draagvlak’) vraagt aandacht voor de risico’s die de huidige, dubbelzinnige voorkeur voor ‘samenwerking’ inhoudt voor de euro. “De euro staat niet op zichzelf, maar is onlosmakelijk verbonden met de verdere politieke vormgeving van Europa. (…) Nederland heeft behoefte aan een Europapolitiek die niet alleen inhoudt wat we niet willen (geen superstaat!), maar ook wat we dan wel willen. Alleen dan kunnen we op de constructie van Europa invloed hebben. Vechten tegen Brusselse windmolens in naam van de nationale identiteit geeft die invloed niet.” (p. 110).

Wim van de Camp i, de aanvoerder van het CDA-smaldeel in het EP i die onlangs het initiatief nam tot een ‘oranjeberaad’ van Nederlandse Europarlementariërs, bekent zich tot aanhanger van “een model dat gebaseerd is op de visie van Europa als samenwerkingsverband van nationale staten” (p. 129) en wijst daarmee het federale model af – een model dat het CDA tot voor enkele jaren in programma’s als vanzelfsprekend omarmde, en dat voor zijn Belgische partijvriend Yves Leterme nog steeds uitgangspunt is.

In zijn ‘Pleidooi voor een ‘Oranje Europa’ ontpopt ook Jan Werts zich als aanhanger van HNB-denken: “Zie Europa (…) als instrument in handen van de Nederlandse natie, en niet als een bedreiging.” (p. 95). Lastig alleen dat we het in eigen land over HNB niet allemaal eens zijn, en dat andere lidstaten er afwijkende opvattingen over hun nationaal belang op na schijnen te houden. “De interne markt als motor van welvaart loopt lekker”, beweert Werts (p. 92). Ja, maar we moeten die interne markt en de monetaire unie wel door de crisis leiden (p. 96), en dat vraagt ook volgens Werts om versterking van de integratie. “De nationale staten hebben Europa (…) iedere dag nodig om zich te handhaven.” (p. 94). Jazeker, maar de Europese integratie komt dan wel een zelfstandige betekenis toe, meer dan het bieden van “een dienstverlenend centrum” voor instandhouding van de nationale soevereiniteit.

Prof. Ton Nijhuis noemt in zijn bijdrage ‘Frans-Duitse as behoort tot de infrastructuur van het oude Europa’ het bewuste en consequente beleid van beide landen om nationale reflexen en vijandbeelden te beslechten, een blijvende bron van inspiratie voor voortgaande Europese integratie. Daardoor is een clubgevoel ontstaan. Nijhuis stelt vast dat de klassieke tegenstelling tussen Europa als federale eenheid of verbond van intergouvernementeel samenwerkende staten weinig behulpzaam is: “De coördinatie van beleid is altijd een mix van supranationale instellingen en de gemeenschappelijke (sic) lidstaten”. (p. 67).

Daarmee wijst hij indirect prof. Henk Wesseling terecht die beweert dat het huidige Europa is geworden wat De Gaulle wilde: “een Europa van de staten.”.(p. 59). De bijdrage van Oostlander brengt ook andere breuklijnen in het denken over Europa naar de oppervlakte. Oostlander benadrukt het belang van de EU als waardengemeenschap. Rob Riemen, de directeur van het Nexus instituut, gaat nog een stap verder. Voor hem lijken andere dimensies van de integratie niet te tellen: “Ik mis commitment bij politici om Europa werkelijk serieus te nemen als beschavingsideaal. (…) De EU is verworden tot een gebruiksartikel dat een zeker nut moet dienen, hoewel men de vraag naar het nut van dat nut niet eens meer kan beantwoorden.” (p. 51).

Luuk van Middelaar (‘Vredesproject Europa heeft langste tijd gehad’) pleit daarentegen voor Europa als machtsproject. “Europa kan slechts een stevig politiek bouwwerk zijn, in staat te handelen en te worden gehoord, wanneer het rust op het cement van de gezamenlijke belangen.”(p. 81). De omvorming van Europa van vredes- tot machtsproject vraagt om een andere benadering van het publiek: “In het vredesproject is Europa ‘éminemment un acte moral’, die verzoeningsbereidheid en idealisme vereist. In het machtsproject is Europa een politieke daad, die vraagt om oordeelskracht en een herdefiniëring van het eigenbelang. (…) het vredesproject vergt de demping van de nationale identiteiten ten gunste van universele waarden, het machtsproject de ontwikkeling van een Europese identiteit.” (p. 87).

Prof. Rick Lawson schuift als bindmiddel voor de Europese Unie de bescherming van de mensenrechten naar voren. Dat is al zestig jaar het werkterrein van de Raad van Europa. Het daarbij behorende Europese Hof voor de Rechten van de Mens dreigt aan de werklasten van het succes ten onder te gaan. De Europese Unie beweegt zich nu ook op dit terrein, omdat tekortkomingen in de ene lidstaat kunnen leiden tot problemen in andere lidstaten. Het Verdrag van Lissabon heeft aan het Handvest van Grondrechten een juridisch bindende status. Lawson ziet in het ontwikkelen van een geloofwaardig en effectief mensenrechtenbeleid grote kansen voor een hernieuwd enthousiasme voor het Europese ideaal. Daarover zal hij ons tijdens de EU-Poort van 3 december as. meer kunnen vertellen.

Theo Brinkel, Hans-Martien ten Napel en Jan Prij (red.), Krachtproef Europa, Christen Democratische Verkenningen , herfst 2009, Boom Tijdschriften. Los nummer: € 18,50.

Marko Bos

 

administrator_ebnKrachtproef Europa
read more

Federal union now

Federal union now

Andrew Duff, Europarlementariër en voorzitter van de Unie van Europese Federalisten, ziet in de huidige financieel-economische crisis volop aanleiding om verdere stappen naar een federaal Europa te zetten.

“As the EU’s opponents are eager to attest, the Union we have built so far already has many federal characteristics. In my view, however, the weakness of the European Union in the present crisis is attributable in large measure to the lack of a thoroughly federal character. Only a Union which is decisively more federal in its structures will work convincingly in the interests of European people and of Europe’s interests in the wider world.”

Wat heeft hij daarbij voor ogen? Een complexe, meerlagen parlementaire democratie, waarbij geen sprake is van onderschikking maar van nevenschikking. De bevoegdheden van de Unie en van de staten worden in een constitutie vastgelegd, met het subsidiariteitprincipe als basis. Elk bestuursniveau heeft onbeperkte financiële autonomie (dat lijkt mij heel onverstandig).

“Nobody should underplay the significance of the shift from being a pre-federal treaty-based international organisation into a fully fledged constitutional federation.” Daarbij verwijst Duff naar de halfhartige aanzet daartoe in het Grondwettelijke Verdrag van 2004, dat in 2005 stuitte op het Franse en Nederlandse ‘nee’. Desondanks vindt hij het Verdrag van Lissabon niet alleen een onvermijdelijk maar ook een goed uitgangspunt.

In de uitwerking besteedt Duff veel aandacht aan het EU-budget en aan ‘economic government’. Zijn pleidooi – in het voetspoor van het McDougall-rapport van 1977 – voor een verdubbeling van het EU-budget in vijftien jaar is wat al te simpel. Maar als het gaat om het crisis management, dan heeft Duff groot gelijk dat uitvoeringsbesluiten niet telkens weer afhankelijk moeten zijn van unanimiteit van besluitvorming. Een meer federaal economisch bestuur zou een groter handelingsvermogen hebben dan de huidige Europese Commissie, en een sterkere verantwoordingsplicht hebben aan de twee kamers van de wetgevende macht, het Europees Parlement en de Raad van ministers.

“In style, crispness of leadership and speed of executive acts the Union would deliver more. It would become less technocratic and more democratic. (…) The key reform would be the decision to mutualise debt, as it was in the history of the USA when, over dinner one evening in 1790 Thomas Jefferson, James Madison and Alexander Hamilton agreed to share collateral and accept a joint guarantee for the debt of the thirteen states. Likewise today, the introduction of a sovereign eurobond market would consolidate the eurozone by equalising borrowing costs for all while producing a material incentive for the weaker economies to bring their debts and deficits into line with the Treaty convergence criteria.”

In het verlengde hiervan zou de versterkte Europese Commissie moeten kunnen aandringen op ‘evidence-based’ analyse van de nationale economieën en op een open debat over het uit de weg ruimen van bureaucratische en politieke belemmeringen voor het ondernemen.

Andrew Duff dringt aan op het bijeenroepen van een nieuwe constitutionele Conventie die – bij consensus en in het openbaar – een tekst zou moeten opstellen waarover de Intergouvernementele Conferentie unanieme overeenstemming kan bereiken. Hij vindt wel dat de Conventie meer aandacht zou moeten besteden aan haar eigen vermogen om te vertegenwoordigen en meer haar best zou moeten doen om begrip te wekken bij een breed publiek voor haar werk en sympathie voor de uitkomsten ervan.

Een nieuw Verdrag zou in werking moeten kunnen treden zodra een grote meerderheid – denk aan 80% – van de lidstaten hebben geratificeerd. En het nieuwe Verdrag zou de mogelijkheid van een geassocieerd lidmaatschap moeten openen. Daarmee wil Duff een vluchtheuvel voor de Britten creëren. “One day, perhaps many years hence, when the UK is convinced of the success of federal Union, and sees it working powerfully in world affairs, it is likely to change its mind and want to jump in.”

Maar de vraag is of een voldoende brede kern van landen een federaal verband (‘a lean federation’) met elkaar willen en kunnen aangaan – en daarmee de Britten buiten spel zetten. De kans lijkt mij veel groter dat de Britten ook in de toekomst mede het tempo van de Europese integratie kunnen blijven bepalen – en overigens geheel vrijblijvend de eurozone kunnen oproepen om de economische governance te versterken.

Andrew Duff, Federal Union now, Federal Trust pamphlet, 2011, 28 pp., te vinden op: www.federalists.eu of www.andrewduff.eu .

 

administrator_ebnFederal union now
read more

Europe in Dialogue

Europe in Dialogue

De Bertelsmann Stiftung wil het debat over de toekomst van het Europese project voeden met een reeks publicaties ‘Europe in Dialogue’. De vijfde in de reeks is net verschenen en bespreekt de sociale dimensie van het nieuwe Europese economische bestuur.

De bundel bevat vijf essays. Thomas Fischer en Sarah Hoffmann (beiden verbonden aan de Bertelsmann Stiftung) schetsen dat het sociale beleid i door de toenemende financiële disciplinering binnen de EU i in de knel kan komen. Zij benadrukken dat er een gedeeld belang is in goed functionerende, efficiënte systemen van publieke voorzieningen op nationaal niveau – zowel vanuit een oogpunt van sociale insluiting als van macro-economische stabiliteit in de eurozone i. Dat kan tot uitdrukking worden gebracht in een ‘Sociaal Investeringspact’ als complement van het Euro Plus Pact i. Zowel in nationale begrotingen als in het EU-budget moet voldoende prioriteit worden gegeven aan investeren in mensen, van voorschoolse educatie tot duurzame inzetbaarheid van ouderen.

Het meest interessant vind ik de bijdrage van Kalypso Nicolaïdis en Juri Viehoff (beiden werkzaam in Oxford) over ‘duurzame solidariteit’ in Europa na de crisis. Zij ontleden het begrip solidariteit. Het is om te beginnen een hybride concept dat zowel waarneembaar sociaal gedrag als de normatieve basis ervoor kan beschrijven. Solidariteit gaat over de betrekkingen tussen (groepen) mensen, maar uit gedrag alleen kan niet worden opgemaakt of sprake is van een uiting van solidariteit. De auteurs stellen solidariteit nadrukkelijk niet gelijk aan altruïsme, maar plaatsen deze in een spanningsveld tussen, langs de ene as, eigen belang en gemeenschapsdenken, en langs de andere as, politieke verplichting en altruïsme. Betrekkingen van solidariteit dragen in de regel elementen van elk van deze vier motiveringen in zich. Solidariteit in de EU/eurozone zien zij primair als een kwestie van het in een wat breder en langer termijn perspectief plaatsen van de eigen belangen; men ziet dan af van het hoogste economische profijt voor de verschillende nationale belangen op korte termijn.

Een kernvraag met actualiteitswaarde is: stellen wij echt belang in de toekomstige welvaart van andere EU-landen i, waaronder Griekenland? En zijn we in staat die – niet-verplicht voorgeschreven maar ook niet vrijblijvende – solidariteit ook goed te organiseren, in een Unie van 27 lidstaten? Hoe verhoudt zich (solidariteit in) de EU zich tot de lidstaten die elk afzonderlijk een ‘solidariteitsgemeenschap’ vormen?

De auteurs beklemtonen dat ook binnen lidstaten solidariteit verschillende stappen van schaalvergroting moet ondergaan om sociale rechtvaardigheid op nationaal niveau te kunnen realiseren. Daarmee beschouwen zij de vraag in hoeverre nog een (grensoverschrijdende) stap verder kan worden gezet bij het institutionaliseren van solidariteit vooral als een empirische kwestie.

Nicolaïdis en Viehoff besluiten hun bijdrage af met een viertal principes voor actie:

1.) Solidariteit bezien vanuit een langetermijnperspectief op de houdbaarheid van het Europese project (en niet als tijdelijke oplossing);

2.) Europa vormt een Unie, géén eenheid; de EU is gebaseerd op wederzijdse erkenning en rechtvaardiging;

3.) Solidariteit is voorwaardelijk, afhankelijk van het gebruik dat de ontvangende partij ervan maakt;

4.) Solidariteit kan niet worden afgedwongen, maar is een keuze – en dat geldt ook voor institutionalisering van solidariteit binnen de EU.

Kortom: “Solidarity in the European Union must rest on institutions that ensure its constant and renewed fairness to all sides. The choice for sustainable solidarity is at that price”.

Andrew Watt (onderzoeker bij het European Trade Union Institute i) neemt als vertrekpunt dat problemen van concurrentievermogen en van resulterende overheidsschulden ‘symmetrisch’ zijn, en dus ook om symmetrische aanpassingen door tekort- en overschotlanden vragen. Het is stellig in het belang van overschotlanden om te bevorderen dat de noodzakelijke aanpassingen van de tekortlanden zo veel en zo snel mogelijk in een omgeving van groei kunnen plaatsvinden. Maar daarbij past toch beter het beeld van het meetrekken van achterblijvers dan van het nivelleren naar een gemiddelde dat Europa in de wereldeconomie niet verder helpt.

Gordon Bajnaj i (premier van Hongarije in 2009-2010) plaatst de huidige crisis in Europa wel in het kader van de globalisering. Deze noodzaakt tot aanpassing van het Europese ‘verdienmodel’. Europa ziet zich gesteld voor vijf uitdagingen: lagere groei; omgekeerde sociale mobiliteit; intergenerationele conflicten; populisme, protectionisme, isolationisme, nationalisme; en mondiaal verschuivende machtsverhoudingen. En Europa is kwetsbaar door halfslachtige, halfdoordachte, halfuitgelegde integratie die daardoor halverwege is blijven steken. Bajnaj pleit voor verdergaande integratie, om slagvaardiger te kunnen reageren op economische uitdagingen en om continuïteit te verzekeren, als tegenwicht tegen de kortademige politieke cycli in de lidstaten. Dat vraagt wel om versterking van de democratische legitimatie van besluitvorming (hoe precies, blijft in het vage).

Vanessa Rossi en Stephanie Hare (beiden verbonden aan Oxford Analytica) vinden dat de EU een ‘gouden standaard’ voor maatschappelijke investeringen in menselijk kapitaal moet aannemen, op basis van een substantiële uitbreiding van grensoverschrijdende programma’s voor onderwijs en opleiding. Een jaarlijkse investering van 40 tot 50 miljard euro (0,3 procent van het bbp van de EU) zou vier tot vijf miljoen grensoverschrijdende ‘plaatsingen’ (voltijds en deeltijds) per jaar kunnen opleveren. Daarmee zou de vorming van een Europese arbeidsmarkt, met de nodige grensoverschrijdende mobiliteit, kunnen worden gestimuleerd. De opleidingsprogramma’s kunnen daarbij worden gericht op het wegwerken van knelpunten op de arbeidsmarkten. De auteurs vinden een stevige inzet van de EU gerechtvaardigd vanwege de belangrijke externe effecten die aan onderwijs en opleiding zijn verbonden. Bij een subsidiariteitstest zou een dergelijk EU-beleid hogere ogen gooien dan het huidige gemeenschappelijke landbouwbeleid. Dit interessante voorstel van Rossi en Hare verdient zeker nadere uitwerking en overweging.

Gordon Bajnai e.a., Solidarity: For Sale? The Social Dimension of the New European Economic Governance , Europe in Dialogue 2012/01, ISSN 1868-5048, www.bertelsmann-stiftung.org, 151 pp.

Marko Bos

 

administrator_ebnEurope in Dialogue
read more

Europa begint pas

Europa begint pas

Als permanent vertegenwoordiger van werkgeversorganisatie VNO-NCW i in Brussel hield Jan-Willem van den Braak zich de afgelopen drie jaar intensief met Europa bezig. Het inspireerde hem tot het schrijven van een zeer leesbaar boekje waarin hij zijn eigen herinneringen aan, en belevenissen in Europa vanaf de jaren zestig verweeft met de ‘grote’ geschiedenis: het voortschrijden van de Europese integratie en het opheffen van de deling van dit continent.

De rode draad in het boekje is een ‘kritische dialoog’ met ‘eurofielen en federalisten’. Hij houdt ons cq. hen voor dat een levensvatbare federatie “een echte gezamenlijke publieke ruimte nodig [heeft], een gezamenlijke historische achtergrond en cultuur. De diversiteit van Europa, die juist zijn kracht en schoonheid vormt, staat daaraan volledig in de weg.” (p. 69) Als afschrikwekkende voorbeelden van ‘gedrochten’ van federaties noemt hij dan nog de Sovjet-Unie en Joegoslavië.

De ‘kritische dialoog’ blijkt overigens in essentie een dialogue intérieur . Echte, hedendaagse eurofielen komen er niet aan te pas. Het gaat vooral om een interne tweestrijd. Een tweestrijd die bij het referendum over het grondwettelijke Verdrag onbeslist eindigde (p. 17, cursivering door de auteur): “Zelf onthoud ik mij uiteindelijk van stemming op 1 juni. Vóór omdat de Grondwet inhoudelijk weer een stap voorwaarts op het Europese pad is, tegen omdat het hoe dan ook in symbolische zin ook een stap richting ‘superstaat’ is en daarmee ook een miskenning van de soms terechte kritiek op het ondoorzichtige ‘Brussel’. Als ik dit in het Haagse vertel aan deze of gene, wordt telkens zeer verbaasd tot vertwijfeld gekeken.”

Die verbazing verdwijnt met het lezen van dit boekje niet, althans niet bij mij. Om te beginnen komt Van den Braak met niet veel meer dan de titel van het verdrag plus de daarin vervatte symboliek van vlag en hymne om zijn weerzin te onderbouwen. Verder zou uit zijn redenering volgen dat de ja-stemmers op 1 juni 2005 – met 38,5 procent van het totaal weliswaar in de minderheid, maar nog altijd een forse minderheid – zonder meer tot de ‘eurofielen en federalisten’ moeten worden gerekend.

Nee, het lezen van dit boekje heeft mij ervan overtuigd dat Jan-Willem van den Braak zelf ook een eurofiel is – maar dat hij moeite heeft ‘uit de kast te komen’. Hij houdt van Europa en koestert hoge verwachtingen van de toekomst van de Europese Unie. Alleen al uit de titel van zijn boekje spreekt ambitie. Van den Braak pleit voor een offensief beleid van Europa op terreinen als handelspolitiek, veiligheid, innovatie, energie en migratie. Hij onderstreept ook het karakter van de EU als een waardengemeenschap. Dit alles accentueert hij nog eens door hoofdstuk 1 – Europese integratie: essentieel voor onze welvaart – van het recente SER-advies over de nieuwe Lissabon-strategie als bijlage in zijn boekje op te nemen. Maar de term ‘integratie’ lijkt Van den Braak om een of andere reden uit de weg te gaan.

In een afzonderlijk hoofdstuk gaat de auteur in op het ‘Europese sociale model’. De opvattingen van werkgevers en vakbeweging terzake schetst hij als volgt. Werkgevers vinden dat sociaal beleid vanwege uiteenlopende culturen en voorkeuren primair nationaal moet worden geregeld, met twee uitzonderingen: “Ten eerste de regelingen voor gelijke behandeling van mannen en vrouwen, gelet op hun fundamentele karakter. En ten tweede de arbeidsomstandighedenregels, omdat “ondernemingen daarop niet (moeten) willen concurreren”.” (p. 24) Die laatste formulering nodigt uit tot een debat over al dan niet gewenste vormen van (beleids)concurrentie.

Volgens Van den Braak ontwikkelde de vakbeweging op dit vraagstuk “een nog veel complexere, nogal tegenstrijdige visie. Enerzijds was men natuurlijk voor behoud en verbetering van nationale arrangementen, de nationale vakbonden zouden daar ook nooit afstand van doen. Tegelijk wilde men een breed Europees level playing field , van een Europees minimumloon tot Europese medezeggenschap, arbeidstijden en wat al niet. (…) Eigenlijk waren die twee uitgangspunten onverenigbaar maar een duidelijke keuze werd niet gemaakt. En tegelijk was het verwijt (…) dat “Europa niet voldoende sociaal is”. “ (p. 24)

Het boekje is verluchtigd met diverse foto’s en tabellen. Zijn visie op de toekomstige uitdagingen voor de Europese Unie heeft Van den Braak in een handzaam schema (op p. 70) samengevat. Bijlage 1 geeft een beeld van de Europese lobby van VNO-NCW. Bijlage 3 bevat een overzicht van voorzitters van de Europese Commissie. Dit overzicht bevat helaas een aantal storende fouten, waardoor maar liefst drie ex-voorzitters over het hoofd worden gezien.

Jan-Willem van den Braak, Europa begint pas , Assen (Van Gorcum) 2009, ISBN 978 90 232 4594 0, 90 pp.

Marko Bos

(sinds lang werkzaam bij de SER i; daardoor is de auteur voor mij geen onbekende)

 

administrator_ebnEuropa begint pas
read more

Euro(pa) in crisis

Euro(pa) in crisis

De Europese schuldencrisis nadert een climax. Vijf CPB’ers hebben onder aanvoering van hun directeur, Coen Teulings, het initiatief genomen om in een boek voor een breed publiek de oorzaken en mogelijke oplossingen van de crisis te belichten. In die opzet zijn zij goed geslaagd. Het is een goed leesbaar boek geworden dat belangrijke economische achtergronden voor het goed kunnen verwerken van de dagelijkse nieuwsstroom biedt. Aan de orde komen onder meer de ontwerpfouten van de Economische en Monetaire Unie (EMU), de baten van de euro en van de interne markt – die in huiselijke termen op een weeksalaris respectievelijk een maandsalaris worden getaxeerd – en de ‘enorme kosten’ van een uiteenvallen van de EMU en de herinvoering van nationale munten. De auteurs maken duidelijk dat de Europese schuldencrisis evenzeer een bankencrisis als een crisis van overheidsschulden vormt, en daarom niet alleen de ‘perifere’ eurolanden – zoals Griekenland – kan worden aangerekend.

Voor structurele oplossingen is een verdere overdracht van bevoegdheden aan de Europese Unie nodig. Dan gaat het met name om de totstandkoming van één Europees bankentoezicht met één Europees reddingsfonds voor banken; een permanent Europees noodfonds dat moet voorkomen dat landen in crisistijd buiten hun schuld in liquiditeitsproblemen kunnen komen (die vervolgens in solvabiliteitsproblemen kunnen ontaarden); en een preventief Europees toezicht op het nationale begrotingsbeleid. De positie en rol van de Europese Centrale Bank (ECB) en de betekenis van eurobonds worden helder belicht.

De auteurs vatten de conclusies van het boek samen in veertien punten (waarvan hierboven al enkele kort zijn weergegeven). De eerste conclusie luidt dat de EMU bij zijn oprichting meer een politiek dan een economisch project was. Die stelling behoeft nuancering. De EMU is, na een eerste mislukte aanloop rond 1970 (plan-Werner), begin 1988 weer op de agenda gekomen door de dynamiek van de interne markt en de liberalisering van het kapitaalverkeer. Daardoor werd duidelijk dat de toenmalige economische en monetaire samenwerking (EMS) fundamentele versterking behoefde om destabilisatie door competitieve devaluaties te kunnen tegengaan. Na het uitkomen van het rapport-Delors, begin 1989, kwam de politieke discussie over de EMU in een stroomversnelling door de val van de Muur en de Duitse hereniging. Kortom: er waren duidelijke economische gronden om met de EMU de kroon op de interne markt te willen zetten, maar het kwam vervolgens aan op de politieke wil, en de omwentelingen in 1989/1990 boden een ‘window of opportunity’ waarvan goed gebruik is gemaakt. De verwevenheid van de EMU met de interne markt komt in het CPB-boek niet zo goed uit de verf, maar vormt mede een verklaring voor de hoge kosten van een eventuele ontvlechting van de EMU.

Meer in het algemeen schrijven de auteurs aan politieke motieven een ‘enorme stuwende kracht achter de Europese integratie’ toe, althans sinds de Suez-crisis van 1956 die een wig dreef tussen Frankrijk en Groot-Brittannië. De Britten lijken daarbij als toonbeeld van economische rationaliteit te fungeren. Onverdiend, dunkt mij. Deze gedachtegang leidt tot de foutieve bewering (op p. 32) dat Engeland vervolgens in de jaren zestig afzag van toetreding tot de EEG. Nee, de Britten hebben al in de jaren vijftig hun bindingsangst aan federatieve verbanden laten prevaleren en afstand genomen van de Europese integratie, in 1950/1 toen het plan-Schuman uitmondde in de EGKS, en in 1955 toen – na het echec van de Europese Defensiegemeenschap – met het plan-Beyen voor een gemeenschappelijke markt het integratieproces weer werd vlotgetrokken. Dat plan werd vervolgens uitgewerkt in het rapport-Spaak dat vooral een antwoord wilde geven op de ‘Europese verbrokkeling der markten’. En toen de Britten begin jaren zestig op hun schreden terugkeerden en alsnog bereid waren zich te binden, was het generaal De Gaulle die de Britse toetreding blokkeerde. Wie meer wil lezen over een halve eeuw tweeslachtige, zo niet dubbelhartige Britse Europapolitiek, beveel ik graag This Blessed Plot van Hugo Young (Macmillan, 1998) aan.

Terug naar de huidige crisis. Hoe heeft het zover kunnen komen? De auteurs wijzen onder meer op: de incongruentie van één Europese financiële markt met toezicht langs nationale lijnen; de spectaculaire daling van de rentes op overheidsleningen aan de zuidelijke lidstaten na invoering van de euro en de massale kredietverlening aan vastgoedprojecten; de interactie tussen bankencrisis en schuldencrisis; de onvoldoende voortvarende herkapitalisatie van de Europese banken. Het hoofdstuk ‘Schuld en boete’ bespreekt vervolgens de ineffectiviteit van het Stabiliteitspact dat de nodige nationale begrotingsdiscipline had moeten afdwingen. Dat pact is vooral door toedoen van Duitsland en Frankrijk onderuit gehaald (in 2003). De auteurs wijzen erop dat de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie, Romano Prodi, het Pact toen al ‘stom’ had genoemd – wat overigens een nadrukkelijke verdediging ervan door de Commissie als geheel niet in de weg stond. Wat het boek er niet bij vertelt is dat een drietal (andere) CPB’ers eind 2002 in het voetspoor van Prodi concludeerden dat het Stabiliteitspact ‘dom’ was en pleitten voor een grotere eigen verantwoordelijkheid van de lidstaten. Zoals het boek vaststelt, zijn de regels van het Stabiliteitspact te simpel, maar niet goed te vervangen door iets beters. De les die uit de huidige crisis wordt getrokken is dat een goede nationale verankering van verstandig begrotingsbeleid niet kan zonder duidelijke Europese kaders, met preventief en correctief Europees toezicht.

De auteurs duiden het ontbreken van een Europese lender of last resort aan als een ernstige ontwerpfout in de EMU. Normaal vervult de centrale bank van een land die functie. Daardoor wordt voorkomen dat liquiditeitsproblemen door paniek onnodig uitgroeien tot solvabiliteitsproblemen Maar de ECB mag geen begrotingssteun geven aan landen in liquiditeitsproblemen; het noodfonds EFSF/ESM fungeert nu – met op zich omvangrijke doch beperkte middelen – als lender of last resort .

Griekenland heeft overigens inmiddels diepgaandere problemen: “Een Grieks bankroet is bijna onvermijdelijk” (p. 172). De auteurs vragen zich vervolgens af waarom de herstructurering van de Griekse schuld zoveel verzet oproept, vooral in kringen van centrale bankiers. “De enige manier om een bankroet van Griekenland te voorkomen, is door hulp van de andere landen: een bailout dus. Het is dus kiezen of delen: of de no-bailout clausule opgeven of Griekenland bankroet laten gaan.

Verzet tegen bankroet betekent opgeven van de no-bailoutclausule – terwijl de ECB daar juist zo aan hecht. En dat is niet het enige slachtoffer van een bail-out: ook de gewenste marktdiscipline krijgt dan een knauw.” Maar deze keus ligt toch nog wat gecompliceerder. Om te beginnen omdat in het publieke debat – denk aan de Duitse minister van Financiën Schäuble – wel een verband is gelegd tussen ‘bankroet’ en ‘eurozone verlaten’; dat alleen al zorgt ervoor dat een schuldherstructurering van Griekenland ook de toekomst van de euro raakt. Een tweede punt is dat tot een schuldenherstructurering in de regel pas wordt overgegaan als de situatie is uitgekristalliseerd, en op basis van een pakket van structurele aanpassingen. En het zijn dan de schuldeisers zelf die tot een vergelijk met het land moeten komen. De auteurs tonen enige verrassing dat overheden op basis van het Europees ‘verdragsrecht’ (in casu de no-bailout clausule) private partijen niet zomaar kunnen dwingen een deel van hun vordering op te geven.

De laatste conclusie luidt: “De politieke patstelling lijkt nu hopeloos. Gezien de wordingsgeschiedenis van Europa zou deze crisis echter ook tot een institutionele doorbraak kunnen leiden.” Ik wens dit boek graag veel lezers toe, maar hoop van harte dat volgende drukken die noodzakelijke doorbraken zullen kunnen schetsen. Daarbij kunnen dan ook enige storende feitelijke onjuistheden worden gecorrigeerd. Op p. 42 wordt de Europese Akte – nevengeschikt aan de dienstenrichtlijn – aangeduid als wetgeving, en niet als een wijziging van het Verdrag van Rome. De auteurs suggereren dat volgens het oorspronkelijke voorstel van de dienstenrichtlijn (van Eurocommissaris Bolkestein) bij grensoverschrijdende dienstverlening voor veiligheid, gezondheid, milieu en consumentenbescherming de regels van het land van oorsprong van de dienstverlener zouden gelden (zie p. 53). Dat is onjuist. Op p. 79 wordt gesteld dat de Nederlander tussen 1984 en 1999 f 1,27 betaalde voor een Duitse mark. Meer dan f 1,13 was niet nodig geweest. Op p. 163 is sprake van de Britse premier Denis Healey die in 1976 voor steun moest aankloppen bij het IMF. Deze vooraanstaande politicus – tussen 1974 en 1979 Chancellor of the Exchequer – staat juist wel bekend als ‘the best Prime Minister we never had’.

Coen Teulings, Michiel Bijlsma, George Gelauff, Arjan Lejour en Mark Roscam Abbing, Europa in crisis – Het Centraal Planbureau over schulden en de toekomst van de eurozone , uitgeverij Balans, 238 pp. ISBN 978 94 600 3407 7, € 18,95.

Marko Bos

 

administrator_ebnEuro(pa) in crisis
read more