Opinies

De verkiezingen: een strijd tussen pro- en anti-Europa? Column door Thomas von der Dunk

Hoe democratisch willen Europese politici de Europese Unie eigenlijk hebben? Die vraag is opnieuw actueel, met de Europese Verkiezingen voor de deur, die door de pro-Europese onder hen tot de belangrijkste in decennia zijn uitgeroepen, omdat de Eurosceptische populisten overal in opmars zijn. Het is volgens sommigen erop of eronder – maar of dat besef ook bij de kiezer in die mate aanwezig is dat dat de sinds jaren gestaag dalende opkomst bevordert, is de vraag.

Winst ten opzichte van eerdere Europese verkiezingen is in elk geval dat het minder koekoek-eenzang is. Decennia lang droegen de campagnes van de grootste partijen sterk een gelijkvormig karakter: de lijsttrekkers gedroegen zich niet zozeer als politici die zich duidelijk ten opzichte van elkaar onderscheidden, maar als bekwame bestuurders die samen de kiezer over het belang van Europa kwamen voorlichten. Die kiezer die dat onderschreef had reeds het licht gezien, degene die dat niet deed, had het gewoon nog niet helemaal begrepen. Onderlinge verschillen tússen de partijen sneeuwden onder. Twee factoren hebben dat nu gelukkig enigszins ten goede veranderd.

De eerste factor is die van de Spitzenkandidaten. Dat brengt enerzijds de nationale leden van de Europese partijenfamilies dichter bij elkaar: het versterkt het Europese karakter van de verkiezingen, waar die voorheen meer een optelsom van nationale opiniepeilingen vormden – terwijl, bijvoorbeeld, bij de vorige van 2014, de liberalen in Nederland goed scoorden, werden zij in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland geheel weggevaagd. Niet omdat de kiezer met hun Europese koers (on)tevreden was, maar omdat dat voor de afzonderlijke nationale gold. Het is een illusie om te menen dat dat nu eensklaps niet meer het geval zal zijn, maar een accentverschuiving in de goede richting is het wel: omdat Europese verkiezingen over Europese kwesties moeten gaan – en niet over nationale, ongeacht de vraag hoeveel en welke vraagstukken Europese dienen te zijn.

En anderzijds versterken de Spitzenkandidaten de wenselijke politisering van de verkiezingen: het besef dat het ook in Brussel om keuzes tussen politieke alternatieven gaat, en niet om een soort ‘neutraal’ management van ongekozen technocraten. Dat is ook voor de Europese politici zelf even wennen. De bedoeling is immers dat, net als op nationaal niveau, de verkiezingsuitslag herkenbare consequenties heeft voor de personele samenstelling van de Europese Commissie: de winnaar – van de grootste partij of van de grootste coalitie – moet voorzitter worden. Dat is de inzet.

Het is een inzet die door de nationale regeringsleiders niet wordt gewaardeerd: die willen zich het ‘recht’ om de samenstelling van de Europese Commissie in de achterkamertjes te regelen niet laten ontnemen. Zij roepen weliswaar heel hard dat de Europese Verkiezingen uit democratisch oogpunt zeer belangrijk zijn, maar doen er tegelijk alles aan om de democratische relevantie ervan uit te hollen. Op nationaal niveau democratisch opererend, maken zij dat op internationaal niveau bewust onmogelijk, waarmee de rol van de Europese volksvertegenwoordiging de facto wordt uitgehold. Nogmaals: dit staat los van de vraag of je op Europees niveau als zodanig veel of weinig regelt.

Wat de nationale regeringsleiders voorstaan is in feite een ondemocratisch Europees bestuur, waarbij de rol van het Europese parlement als wetgevende en controlerende macht een zeer beperkte blijft. Een Europees bestuur dat niet op basis van de Europese verkiezingsuitslag wordt samengesteld, maar bijna uitsluitend op basis van nationale vertegenwoordiging: alsof bij de verdeling van de Nederlandse ministersposten elke provincie er eentje krijgen moet.

Die praktijk in Brussel leidde jarenlang tot drie dingen aan de relevantie van Europese verkiezingen afbreuk deden: een vast kartel van partijen dat altijd samen de dienst uitmaakte, een gebrek aan helder programma van het door hen gevormde bestuur (waar de kiezer zich dus voor of tegen zou kunnen uitspreken) en, in samenhang daarmee, een gebrek aan parlementaire oppositie.

Ja, die laatste was er wel, maar bestond hoofdzakelijk uit degenen die de EU als zodanig niet zagen zitten – en dus door het regerende ‘partijkartel’ als destructief konden worden weggezet. Dat versterkte de bipolariteit: de reductie van de verkiezingen tot een keuze tussen serieuze voorstanders en niet serieus te nemen tegenstanders van de EU. Het paradoxale is – en dat is de tweede factor dat het politieke karakter van de verkiezingen versterkt – dat juist de opkomst van de populisten de pro-Europese partijen dwingt meer om hun onderliggende verschillen duidelijk te maken. ‘Voor Europa’: fijn – maar voor wat voor Europa? Dat wordt door het systeem van Spuitzenkandidaten in de hand gewerkt.

Er dreigde overigens eerst een omgekeerd effect, en zeker is – gezien bijvoorbeeld de gang van zaken bij het Maastrichtse verkiezingsdebat – dat gevaar nog niet verdwenen: dat het alleen een slag tussen pro-Europeanen en anti-Europeanen wordt. Dat is waar Macrons En Marche op inzet, en waar ook de insteek van Volt op neerkomt: Europeesgezinde ruimdenkende kosmopolieten versus bekrompen provinciaalse bangerikken. Het is de Europese variant van de Amerikaanse cultural wars, met D66 en PVV als de natuurlijke tegenpolen.

Essentiële sociaal-economische machts- en verdelingsvraagstukken worden zo buiten politieke haakjes geplaatst, alsof de huidige neoliberale orde van God gegeven is. Het gevolg daarvan is dat de groeiende ontevredenheid met de uitkomsten van die orde zich in een proteststem op anti-Europese partijen vertaalt, omdat geen van de gevestigde pro-Europese partijen door de apolitieke samenstelling van de Commissie op dit vlak een duidelijk alternatief kon bieden.

Thomas von der Dunk, 13 mei 2019

Europese BewegingDe verkiezingen: een strijd tussen pro- en anti-Europa? Column door Thomas von der Dunk
read more

Zullen straks ook in Europa ‘the Noes have it’?

Het was een merkwaardig feestje een paar weken geleden: de bijeenkomst bij gelegenheid van het zeventigjarige bestaan van de NAVO. Ofschoon het ledental gestaag groeiende is – iets wat voor de meeste verenigingen toch reden tot vreugde zou zijn – was de sfeer niet al te best. En het belangrijkste lid, waarop de club decennialang dreef, zagen de anderen ditmaal eigenlijk liever niet komen, uit vrees dat het onappetijtelijke taal zou uitslaan.

Donald Trump is immers de eerste Amerikaanse president die openlijk zijn twijfel aan het Noord-Atlantisch bondgenootschap ten toon heeft gespreid. Vooral kort na zijn aantreden, maar er bestaat nog steeds twijfel of zijn twijfel van toen wel helemaal verdwenen is. Niet alleen door meermalen vraagtekens te zetten bij de grondslag dat de leden elkaar zullen verdedigen – zoals in het geval van Montenegro, ‘een land verweg waarvan wij weinig weten’, om met Neville Chamberlain anno 1938 inzake Tsjechoslowakije te spreken.

Of door de Amerikaanse bereidwilligheid daartoe in afzonderlijke gevallen geheel afhankelijk te (dreigen) maken van de financiële bijdrage van de desbetreffende lidstaat, waarbij hij, getuige zijn voortdurende gescherm met handelsoorlogen op basis van zijn electorale America-First-principe, de korte-termijns-economische en lange-termijns-militaire belangen van de Verenigde Staten geheel in elkaar laat overvloeien.

Ook doordat hij zich, zelf een nationalistisch populist met autoritaire trekken, duidelijk meer thuis lijkt te voelen bij nationalistische autocraten als Poetin en Bolsonaro dan bij de herhaaldelijk door hem geschoffeerde democraten Theresa May en Angela Merkel, nog afgezien van zijn evidente misogynie, die hij zowel met deze autocraten als met hun bewonderaars binnen Europa deelt, tot Victor Orban en Thierry Baudet toe. Ook heeft Trump, vermoedelijk mede vanwege die instinctieve zielsverwantschap, al tenminste één keer openlijk meer waarde gehecht aan de verzekering van Poetin dan aan de informatie van zijn eigen inlichtingendiensten.

Maar niet alleen worstelt de NAVO, die dankzij de toenemende assertiviteit, zo niet agressiviteit van het Kremlin, inmiddels toch weer over een duidelijke tegenstander en dus bestaansreden beschikt, met een groeiende tegenstelling tussen Amerika en Europa, nu China steeds meer als de grote tegenstrever wordt gezien. Ook binnen Europa is het steeds moeilijker om tot één lijn naar buiten te komen, mede omdat het ook steeds moeilijker is om tot één lijn naar binnen te komen, bijvoorbeeld waar het de democratische waarden als grondslag van zowel de NAVO als de EU betreft. Denk voor het eerste bijvoorbeeld aan Erdogans Turkije, ook al lijkt zijn almachtsfantasie met het verlies van Ankara en Istanbul bij de jongste gemeenteraadsverkiezingen een duchtige knauw te hebben gekregen.

Hoezeer er ook nog landen zijn die staan te dringen om toe te mogen treden – naast die op de westelijke Balkan ook Oekraïne, dat heeft ook de nieuwe president Zelensky benadrukt – staat de interne samenhang steeds verder onder druk. Op het gebied van de rechtsstatelijkheid slaagt Frans Timmermans er niet in om een steeds verder ontsporend Polen en Hongarije tot een wezenlijke koerswijziging te dwingen, omdat beide landen elkaar de hand boven het hoofd houden, daarin ook steeds meer steun vindend bij de inmiddels Europabrede nationalistische beweging, die inmiddels eveneens in Rome sterk de toon is gaan zetten.

Er wordt zo aan alle kanten aan de Europese Unie getrokken, misschien wel meer dan ooit. Nee: bijna niemand wil er inmiddels meer uit – het Brexit-drama heeft inmiddels zelfs Baudet, voor wie meedoen aan Brussel jarenlang gelijkstond aan de Ondergang van de Boreale Beschaving, tot binnensmonds gemompel over eventuele een Nexit gedwongen. Je krijgt – en daar is toch wel wat voor nodig – nog bijna met Derk Jan Eppink te doen, die als columnist altijd rechtlijnig kon zijn, maar zich nu als Europees lijsttrekker in vele kronkels zal moeten wringen.

Maar de Brexit werkt wel in Brussel verlammend, en zuigt er alle energie op. Wat het eerste betreft: wie gelooft dat Westminster er, na drie mislukte stemmingen, binnen een maand wèl uit is, en daarmee ook bijtijds de unie uit is, is een rasoptimist. Wat nu dreigt is dat Britse deelname aan de Europese verkiezingen tot een monsterzege van boze Brexiteers leidt, die er vervolgens van alles aan zullen doen om Brussel van binnenuit te verlammen – Nigel Farage heeft er al mee gedreigd. En wat als May ten val komt voor Londen de unie verlaat? Is de laatste dan wel Boris-proof?

Door deze al drie jaar voortetterende tragikomedie, die door zijn uitzichtloosheid – The noes have it, the noes have it, werkelijk geen enkel voorstel leidde in het Lagerhuis de afgelopen maanden tot een meerderheid voor een ja – – het morele failliet van de Britse democratie illustreert, kan Brussel onvoldoende aandacht aan de grote externe uitdagingen besteden. En dat zijn er minstens drie.

Ten eerste China, dat er met zijn Zijderoute in slaagt om de facto steeds meer landen uit het Europese blok los te weken, en daardoor een eensgezind optreden tegenover China steeds vaker onmogelijk maakt. Ten tweede Rusland, dat inzake de Krim en de Donbass geen sjoege geeft, en zo een formele toenadering van Oekraïne tot Europa belemmert, omdat nieuwe leden geen grensproblemen met zich mee mogen nemen. Ten derde de instabiliteit in de Arabische wereld, waar het nu in Algerije, Libië en Soedan gist. Dat het relatieve succes van Tunesië ook elders navolging krijgt, is een evident Europees belang, al was het maar met het oog op anders dreigende nieuwe vluchtelingenstromen, die de belangrijkste grondstof voor de anti-Europese populisten in Europa vormen.

Thomas von der Dunk, 24 april 2019

Europese BewegingZullen straks ook in Europa ‘the Noes have it’?
read more

Rome heeft helaas meer gelijk dan Parijs lief is. Column door Thomas von der Dunk

Italië heeft veel aan Frankrijk te danken. Het omgekeerde is ook zo – op cultureel gebied. Vanaf de renaissance werden regelmatig grote Italiaanse kunstenaars binnengehaald, van Leonardo da Vinci tot Bernini. Hoewel men er tijdens het Grand Siècle van de Zonnekoning vanuit ging dat Parijs inmiddels het nieuwe Rome was, bleef een reis naar het oude Rome voor het aankomend talent aan de Académie des Beaux-Arts tot in de dagen van Napoleon III verplicht.

Italië dankt, omgekeerd, mede aan Frankrijk zijn politieke bestaan. In ruil voor Nice en Savoye heeft Napoleon III zich achter de Italiaanse eenwording geschaard. Aan het Franse voorbeeld dankte Italië vervolgens ook sterk zijn politieke systeem. Anders dan het nieuwe federatieve Duitse Keizerrijk, werd het nieuwe Italië een centralistische eenheidsstaat. Waar Pruisen en de andere Duitse vorstendommen in 1871 bleven voortbestaan, en het keizerschap slechts als koepel fungeerde, veegde Piemonte de Italiaanse concurrentie van de kaart, totdat, met de reductie van de Kerkelijke Staat tot het Vaticaan, de hoofdstad van het verenigde Italië van Turijn – na een tussenstop in Florence – naar Rome werd verplaatst.

In staatkundig opzicht zijn de verschillen inmiddels groter. Italië is serieus werk gaan maken van binnenlandse decentralisatie, resulterend in vergaande autonomie voor vijf afwijkende regio’s, het Aostadal (‘Frans’), Zuid-Tirol (‘Oostenrijks’), Friuli (‘Furlaans’) en die twee rare eilanden Sardinië en Sicilië, die zich evenmin gewoon als ‘Italië’ beschouwen. Nu is dàt een verschijnsel dat zich ook in de rest van het land veelvuldig voordoet – denk aan de Lega (Nord), die (ooit) een onafhankelijk Padanië voorstond. Roma ladrona – ‘Rome de dief’: dat is een sentiment t.o.v. de eigen hoofdstad dat maar in weinig andere landen zo breed wordt gedeeld. Nog steeds geldt, anderhalve eeuw na de eenwording, het fameuze dictum van Cavour: “Eindelijk hebben we Italië – nu graag ook nog Italianen”.

In dat opzicht is het verschil met Frankrijk groot. Dat houdt de facto nog stug aan de eenheidsstaat vast. Van serieuze decentralisatie is geen sprake, en waar die in Zuid-Tirol een einde maakte aan ooit zelfs tot bomaanslagen leidende onvrede, is het tekort aan francofilie op Corsica echt nog steeds niet opgelost. In het historische museum in Corte, een plaatsje midden op het eiland, wordt zodoende ongegeneerd gesproken van tweehonderdvijftig jaar Franse bezetting, zoals ik in de zomer van 2017 met eigen ogen kon constateren.

Na de Tweede Wereldoorlog vonden beide landen elkaar binnen de nieuwe EEG relatief makkelijk, vanwege hun gedeelde rekkelijke ‘romaanse’ mentaliteit. Parijs wil binnen Europa de brug tussen noord en zuid vormen, en dat vertaalt zich in minder hekel aan protectionisme en meer hekel aan monetair fetisjisme. Het werpt zich, met steun van de andere romaanse landen, vandaag op als voorstander van een transferunie, waar de meeste germaanse landen niets van willen weten.

Maar waar Parijs en Rome vanouds bondgenoten zijn, staan zij nu tegenover elkaar. In Parijs zetelt met Macron een neoliberale internationalist bij uitstek, in Rome zijn met Salvini en Di Maio twee antiliberale populisten aan de macht. Dat leidt regelmatig tot aanvaringen. Zoals het populisten betaamt, vermeien die zich niet nodeloos met de conventies van fijnbesnaardheid in het diplomatieke verkeer. Zij hebben openlijk hun steun uitgesproken aan de Gele Hesjes die het Élysée zoveel hoofdbrekens bezorgen. Di Maio deed dat vorige week zelfs in Orléans, terwijl Salvini een dag later de hoop uitsprak dat de Fransen “zich zouden bevrijden van een heel slechte president”, die “tegen zijn volk regeert”. Dat was meteen goed voor een rel: Parijs heeft zijn ambassadeur in Rome teruggeroepen.

Een dergelijke openlijke inmenging in de binnenlandse politiek van bevriende landen – waar overigens ook de Grote Populist in Washington niet vies van is – is inderdaad ongehoord, en maakt de formele Franse reactie onvermijdelijk en terecht. Daarbij meent Parijs met reden dat die aanvallen op Macron mede door electorale motieven zijn ingegeven, vanwege de komende Europese verkiezingen.

Maar waar de Franse regering in zo’n geval wel een streep moet trekken, geldt dat voor een commentator niet. En dan moet die toch constateren dat Salvini en Di Maio inhoudelijk met hun kritiek niet gehéél ongelijk hebben. Dat gold ook voor hun evenmin in dank afgenomen opmerkingen over de niet van neokoloniale trekken gespeende Franse Afrikapolitiek. Premier Conte deed het even later in Brussel nog eens dunnetjes over: de hele EU is verworden tot een oligarchisch systeem dat de burgers economisch in de kou laat staan. En speciaal Macron heeft in dat opzicht thuis een gigantisch geloofwaardigheidsprobleem. Dat, zoals Di Maio het formuleerde, “de wind van verandering de Alpen is overgewaaid”, laat zich, hoe onvriendelijk het vast ook is om dat over een andere regeringsleider te zeggen, gezien de permanente protesten in Frankrijk niet helemaal ontkennen.

Daarbij komt dat juist Macron eerder zelf tegenover Rome nogal hoog van de toren geblazen heeft. Toen Rome in juni het aanmeren van een vluchtelingenboot verbood, verweet Macron de Italianen “cynisme en onverantwoordelijkheid”. Dat was, zoals Rome reposteerde, tamelijk hypocriet – Italië vangt al jarenlang (samen met Griekenland, en inmiddels ook Spanje) de bulk van de vluchtelingen op, terwijl Frankrijk ze bij Ventimiglia ijskoud allemaal tegenhoudt.

Er bestaat terecht kritiek op het nul-asylzoekers-beleid van Boedapest, maar bijna alle Europese hoofdsteden wentelen deze last met een beroep op ‘Dublin’ op de mediterrane landen af – Nederland inclusief. Niet alleen Parijs, ook Den Haag blijft, als het om het nakomen van toezeggingen over opvang gaat, uit angst voor eigen populisten totaal in gebreke, en dat maakt de noordelijke kritiek op de Italiaanse populisten onwaarachtig en Dublin op den duur onhoudbaar.

Thomas von der Dunk, 12 februari 2019

Europese BewegingRome heeft helaas meer gelijk dan Parijs lief is. Column door Thomas von der Dunk
read more

Komen de Britten er zelf nog uit? Column door Thomas von der Dunk

Er was dus geen plan B. Er was namelijk eigenlijk zelfs geen plan A. Westminster had vanaf het begin geen flauwe notie wat het wilde, en zo daar al het begin van een flauwe notie van mocht bestaan, of wat het wilde ook kon. Het heeft de afgelopen maanden voortdurend geleid tot een herhaling van zetten. Waar May uit Brussel in Londen mee thuis kwam, bleek onacceptabel, zonder dat men het er over eens kon worden wat dan wel acceptabel zou zijn.

Nu lijkt ze alleen nog te beschikken over plan X: net zo lang heen en weer vliegen over het Kanaal – dat is zolang dat nog, tot de Britten uit de EU tuimelen, op geordende wijze mogelijk is – tot de deadline nadert, en May tegen de Brexiteers kan zeggen: het is dit of de chaos.

Die chaos is er al, althans politiek. Zelden heeft een West-Europees land de afgelopen driekwart eeuw zo’n totaal politiek onvermogen gedemonstreerd. Het begon met een referendum dat vooral bedoeld was om een intern probleem van de Tory’s op te lossen, waarbij de meest fanatieke Brexiteers de kiezers allerlei fantasieën voorspiegelden, en vervolgens na winst de benen namen. Cameron had misgegokt, en May mocht de rommel opruimen.

De actiegroep Led by Donkeys heeft intussen een aantal fraaie toenmalige ‘voorspellingen’ van Brexiteers op grote billboards geplaatst. “De dag nadat we voor de Brexit hebben gestemd, hebben we alle kaarten in handen en kunnen we het pad kiezen dat we willen nemen”. Aldus minister Michael Gove in 2016. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat zo’n beetje elk Lagerhuislid weer een ander pad wil nemen, dus dat schiet niet echt op.

“Het vrijhandelsakkoord dat we met de EU gaan sluiten moet een van de gemakkelijkste uit de geschiedenis zijn”, verkondigde indertijd minister van Internationale Handel Liam Fox. En toenmalig collega-minister David Davis, inmiddels ex, een tijdje terug: “Er zullen geen schaduwzijden aan de Brexit zijn – alleen flinke voordelen”. Eh….ja. Tenminste één schaduwzijde lijkt mij nu al duidelijk: dat het Verenigd Koninkrijk inmiddels onbestuurbaar geworden is.

Dat begint er al mee dat het referendum als een gijzelingsinstrument wordt gebruikt. ‘Het volk’ heeft immers gesproken. Alles wat geen volwaardige Brexit is, heet zo een schoffering van meer dan zeventienmiljoen pro-Brexit-kiezers te zijn. Alleen hebben er bijna net zoveel in 2016 tegengestemd: het was geen landslide, maar een nipte zege, eentje die bij een iets hogere opkomst van jongeren en wat meer bedlegerige ouderen ook net omgekeerd had kunnen uitvallen.

Het grootste probleem met een referendum over een kwestie als deze is niet zozeer dat men ja of nee moet stemmen, zonder de mogelijkheid wijzigingen aan te brengen: dat moeten parlementariërs soms ook – zie de voldongen-feiten-politiek van May in het Lagerhuis.

Moeizamer is al dat er na een referendum als dit ingeval van een patstelling moeilijk een compromis te sluiten valt – dat heet dan verraad aan de kiezer – en ook niet meer dan twee opties voorgelegd kunnen worden, terwijl er evident een handvol bestaan: van NoDeal tot bijna-blijven. Maar het grootste probleem is wel de ‘geldigheidsduur’. Dat is, wat nu in feite de Britten in gijzeling houdt. Een parlement kan namelijk veel makkelijker ingeval van gewijzigde omstandigheden of gebleken obstakels een ouder besluit herroepen. Bij een eerder referendum moet het dan echter opnieuw aan de kiezers worden voorgelegd.

Zo’n nieuw referendum heet in de ogen van de Brexiteers, die de buit binnen meenden te hebben, ondemocratisch te zijn. Waarom het ondemocratisch zou zijn om een belangrijk besluit aan de kiezer voor te leggen als dat de keer daarvoor superdemocratisch was, ontgaat mij. Nog meer democratie is minder democratie?? Wel schuilt er natuurlijk het gevaar in dat je de kiezer net zo lang opnieuw laat stemmen, tot de uitslag bevalt – iets waar de EU bij vorige referenda in Ierland en Denemarken wel eens (met succes) op heeft aangedrongen.

En dat is een cruciaal punt: hoelang blijft de uitslag van een referendum “de uitslag”? Het is duidelijk dat men niet met een beroep op die van honderd jaar terug iets kan tegenhouden – maar ook dat je niet na een week kunt zeggen: laten we het overdoen. Ergens ertussenin ligt wat redelijk is – maar waar? Daar komt men nu in Londen de facto niet uit, omdat de beide kampen belang hebben bij een wezenlijk andere geldigheidsduur.

Wat het echt hopeloos maakt is dat May voor de keuze staat of het landsbelang of het partijbelang de doorslag geven moet. Ze heeft de Brexit-problematiek steeds benaderd als een interne kwestie van de Tory’s, en aan de oppositie geen boodschap gehad. Het is twijfelachtig of zij met haar chantage-politiek jegens de harde Brexiteers succes heeft – en of, als zij het, om hen binnenboord te houden, op een NoDeal kan laten aankomen zonder de pro-Europese Tory’s te verliezen.

Ofschoon ook Labour niet helemaal vrijuit gaat, was het toch May, als eerste zou moeten bewegen: door de terechte eis dat de NoDeal als optie van tafel moet, te honoreren. Maar gaat May in op een aantal cruciale wensen van Labour – zoals blijven in de douaneunie – dan betekent dat een scheuring in haar eigen partij.

Hier wreekt zich, nog afgezien van de persoonlijke afkeer van May en Corbyn die de traditionele partijvijandschap versterkt, het met het kiesstelsel samenhangende polariserende Engelse politieke systeem wat, net als in Amerika, in twee onverzoenlijke kampen resulteert. Samenwerking in het nationaal belang, waarbij desnoods de radicale vleugels afbreken, is zo een onhaalbare kaart. Er valt veel aan te merken op ons poldermodel, maar in een geval als dit werkt dat beter.

Thomas von der Dunk, 22 januari 2019

Europese BewegingKomen de Britten er zelf nog uit? Column door Thomas von der Dunk
read more

An exit from Brexit, an exit from Remain

About Brexit almost everything has been said. The UK political parties are completely dug in, with their positions a million times rehearsed. The deadlock is complete and not easily fixed, since the huge internal party-political divisions have been painfully manifest from the start.  None of the factions seems to be willing to move an inch. On the contrary, everybody seems to become increasingly entrenched.

No outside comment seems to matter either. Economists of all denominations have issued their estimates of the impact of various Brexit scenarios, mostly judged to be deleterious to the British and EU economies. Business and labor organizations have joined the ranks in expressing their anxieties. But none of this is of any avail. Brexiteers keep insisting on the ‘The-People-Have-Spoken’ mantra, a statement which of course is true, but never meant to silence for ever anybody who wishes to argue for a more dynamic democratic model of ‘rethinking’ and ‘revisiting’ complex decisions like moving a complete nation out of decades of multilateral collaboration.

Dynamic democracy, with ever-deepening insight into complex matters? No such luck.

Meanwhile, a whole media industry thrives on the soap opera-like elements of it all. The news- and information value of Brexit talkshows these days is rapidly diminishing, but the show must go on. Every day a cliffhanger has to be concocted. It can be called truly amazing, how a limited number of arguments can be repeated over and over again in a tediously slow Westminster chess game, while ordinary people, businesses and regular citizens everywhere are left in the role of mere spectators, wondering what the next day may bring. So what about ‘democracy’? In what way are ‘the people’s wishes’ really respected?  And who are ‘the people’?

The bitter reality is that two years have passed in which an army of lawyers, top-level civil servants and KPMG consultants have worked overtime as negotiators and advisors and embarked on the unprecedented exercise of disentangling over 40 years of international cooperation and find alternative legal frames. Nobody has dared to issue overall figures, but the cost of preparing for ‘Brexit eventualities’ runs into the billions.  Who benefits? No answer.

We all know that policial processes can be messy and expensive… but this particular political drama has incurred opportunity costs which are immense. According to Brexiteers – invoking ‘the people’  – we are not supposed to point this out too much, since the UK is supposed to gain sovereignty and huge profits in the end. We are not supposed to say that the billions of euros and pounds already sunk into the swampy grounds of Brexit could have been spent better somewhere else, with more relevance to the 500+ million UK and European citizens and their daily lives.

Very urgent programs, which might have gone a long way in addressing some of the fundamentals of today’s unrest have being delayed or overshadowed by all the tumult around Brexit. Money has not been spent on real and urgent reforms in the European region: reforms regarding future employability of our youth, social security, health, climate, technical innovation, addressing security anew or coordinating migration. Instead, billions of pounds and euros have gone to contingency measures, from securing airports to procuring ‘fridges’ meant to keep the vaccines – stuck in corners due to the new borders – cool.

After two years, it there still a way in which European citizens could put a stop to this circus? Who can break the deadlock with some authority? Don’t get me wrong: Justice does need to be done to all those who have justifiable problems with the status quo in Europe and who thought Brexit would improve matters. But justice also needs to be done to all those who think international collaboration is in the end a better answer than retreating into nostalgic nationalism. Who can still steer us towards a new sense of common future for our region, together?

We need an exit from Brexit, but we also need an exit from simple Remain.      We need real reforms, which move ‘beyond’.

Who can bring this about?  ‘We the people’, perhaps… again.

Godelieve van Heteren, 22-01-2018

Europese BewegingAn exit from Brexit, an exit from Remain
read more

Gele hesjes belichamen een Europabrede opstand

‘We hebben allemaal een geel hesje aan’, aldus recent Mark Rutte, die, waar het de zorg van velen hoe het hoofd boven water te houden betreft, twee jaar lang vooral opviel door zijn fanatieke streven om ten behoeve van een handvol bezorgde multinationals de dividendbelasting afgeschaft te krijgen. Zijn poging om de protesten van de lagere middenklasse, die zich feitelijk tegen de effecten keren van een beleidskoers die hijzelf hartstochtelijk verdedigt, op deze wijze politiek te neutraliseren, getuigt van vergaande onnozelheid dan wel brutaliteit. Het een hoeft het ander overigens niet uit te sluiten.

De ridiculiteit van Ruttes uitspraak wordt slechts overtroffen door die van Boris Johnson die, in het aangezicht van de Brexit-chaos die hij – door de belangen van gewone Britten aan zijn eigen spelzucht te offeren – mede heeft helpen veroorzaken, verklaarde “dat hij een diep verantwoordelijkheidsgevoel heeft”. Ook veel Britse kiezers die financieel het water tot de lippen staat, zijn, door hun gele-hesje-sentiment in te palmen, door hem tot een anti-EU-stem verleidt, die, als het aan Opperbrexiteer Jacob Rees-Mogg ligt, niet ten dienste zal staan aan hun bestaanszekerheid, maar aan de creatie van een nog veel hardere neoliberale samenleving met negentiende-eeuws victoriaanse sociaal-economische trekken. Terug naar de periode uit hun feodale dromen waarin Brittannia inderdaad de golven regeerde – ook al zal die droom nu een fantoom blijken te zijn.

In Italië heeft het langdurig noodgedwongen buigen voor de monetaire rigiditeit van Brussel, waaraan ook Den Haag steeds haar steun heeft verleend, de gele hesjes reeds aan de macht gebracht. De huidige populistische coalitie in Rome vormt het directe product van de massale werkloosheid en uitzichtloze armoede van een groot deel van de Italianen als gevolg van de kredietcrisis van 2008, waarvoor men in Noord-Europa te veel blind is gebleven. Banken werden gered, burgers niet. De laatsten zijn electoraal echter met méér.

Daarmee weet Rome dan ook behendig gebruik te maken van het diepgewortelde minderwaardigheidscomplex dat Italië – ofschoon even volkrijk als Groot-Brittannië en Frankrijk – niet als één van de grote landen geldt, en dus niet voor vol wordt aangezien. Dat speelde al na de Eerste Wereldoorlog, toen het in Versailles niet kreeg wat het wilde, en opnieuw na de Tweede. De meewarige houding van Sarkozy en Merkel jegens Berlusconi indertijd stak diep. Want als Parijs en Berlijn de begrotingsregels overtreden wordt dat wèl getolereerd, zo kan Rome op goede gronden argumenteren. En nu de Franse president, geconfronteerd met een volksopstand, al zijn strenge hervormingsvoornemens abrupt opgeeft en net als zijn veelgesmade voorgangers – híj zou het toch echt anders doen! – weer voor de straat buigt, staat Rome binnenkort met haar te grote begrotingsgat inderdaad niet meer alleen.

Hoe Frans, kortom, is het probleem van Macron?

Zijn mandaat was vanaf het begin veel zwakker dan Macron zelf dacht. De helft van de Fransen koos in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen voor radicaal-links of radicaal-rechts; dat hij de tweede ronde glansrijk won, berustte vooral op een tegenstem: in elk geval niet Le Pen. Door de gematigd rechtse en linkse partijen met zijn tegen het politieke establishment gerichte electorale coup op te blazen, wist Macron het Elysée te winnen en was de Franse oppositie een jaar lang volledig verdoofd.

Maar hij staat er nu wel alleen voor, en dan blijkt ook Jupiter het toch niet zonder hulpgoden te kunnen stellen. Bij gebrek aan middenveld staat in Frankrijk de staat namelijk altijd vrij direct tegenover de straat. Driekwart van de Fransen steunt, ondanks de gewelddadige ontsporingen, nog steeds de gele hesjes, en dat valt niet los te zien van de persoon van Macron, zijn politieke beleid en zijn publieke optreden.

Gezien zijn bancaire achtergrond is de afkeer die hij bij de ‘deplorables’ oproept in elk geval veel logischer dan de steun die multimiljardair Trump van hun Amerikaanse soortgenoten kreeg. Als piepjong zondagskind, met een gouden lepel in de mond geboren en zonder veel levenservaring, bleef hij behept met het wereldbeeld van de internationale zakenbankier die hij lang was – als bekend een volledig van de samenleving vervreemde mensensoort; voor Nederlandse lezers volstaat hier het noemen van de namen van Ralph Hamers en Henk Breukink.

Macrons enige fiscale maatregel getuigde daarvan. Wat de afschaffing van de dividendbelasting was bij Rutte, was die van de vermogensbelasting bij hem: een buigen voor de chantage van de bovenste één procent – als we niet onze zin krijgen verkassen we ons bedrijf of kapitaal naar een belastingparadijs – dat door de bevolking niet langer wordt gepikt. Mondiaal bezit deze één procent inmiddels de helft van alle vermogen, terwijl de honderd rijkste miljardairs samen meer hebben dan de armste drie-en-een-half-miljard. Tegen de achtergrond van toenemende onzekerheid voor steeds grotere delen van de bevolking in het Westen begint deze kloof stuitende proporties aan te nemen. Recent onderzoek wees daarbij voor Nederland uit dat burgers stelselmatig minder van politici krijgen dan hun verkiezingsprogramma’s beloven, en bedrijven juist beduidend meer.

Daarbij toont ook de meritocratische ideologie haar harde keerzijde: waar succes als eigen verdienste geldt, is mislukken eigen schuld. Niets erger dan een loser!  Collectieve maatschappelijke vraagstukken worden door de succesvollen zo tot individuele aanpassingsproblemen gereduceerd. ‘Je gewoon moeten invechten’ heette dat bij Rutte, ‘gewoon de straat oversteken voor een baan’ bij Macron: symptomatisch voor een technocratische politieke klasse die geen flauwe notie heeft van de problemen waar de lagere middengroepen tegenaanlopen, en onder het motto ‘there is no alternative’ weigert om de eigen, als zogenaamd objectief en ideologisch?neutraal gepresenteerde politieke axioma’s te heroverwegen. Flexibiliteit heet daarbij goed voor Uw vechtlust te zijn.

Het is dit, wat het ‘politieke midden’ nu in heel Europa in de problemen brengt. En daarmee ook de Europese Unie zelf, omdat die met deze eenzijdige marktpolitiek wordt geassocieerd. Haar internationale boodschap verliest daarmee aan overtuigingskracht: zij gaat gepaard met een vergaand verlies aan morele geloofwaardigheid, omdat dezelfde bovenlaag die voor doorsneeburgers de strakke broekriem aanbeveelt, tegelijk zelf gretig uit de bonuspot snoept. Waar de directeur, onder verwijzing naar Amerikaanse concurrentie, voor zichzelf een hoger salaris bedingt, krijgt de monteur, onder verwijzing naar Albanese concurrentie, van deze te horen dat hij het met minder moet doen. Het zijn zodoende de CEO’s zelf die zo de bijl aan de wortels van de markteconomie zetten en daarmee de nationale electorale revoluties op gang brengen die nu ook Europa bedreigen.

Thomas von der Dunk, 19 december 2018

Europese BewegingGele hesjes belichamen een Europabrede opstand
read more

Beyond Brexit: Now!

How will we – thirty years from now – look back at this moment in European history? Hard to tell: the Brexit saga follows its own peculiar dynamics, and currently overshadows almost everything else. While everybody – apart from mrs. May – seems to think this is rapidly turning into a lose-lose situation: the Brexit train moves on!

Attempts to revisit the fundamental questions of whether the original choices around Brexit were smart in light of what we have come to know since, have systematically been countered by two objections: a) the British people have spoken and b) the UK wants its country and sovereignty back, and has all the right to wish so. Frequently, these arguments were accompanied by a series of promises of the glorious futures, which would open up for the UK, once it would have ‘freed itself from the tentacles of the European Union’. End of discussion. End of forty years of dialogue of how people could build something together, step by step.

The Brexit era offers no climate for real innovation either. If anything, Brexit has cost us all a lot of energy. The bulk of efforts have gone to unravelling, dismantling, disconnecting, not to the articulation of a better, common future.
Top-shot negotiators have made overtime in an unprecendented process of deconstruction, of which the end is not yet in sight. And if we are honest: nobody can really tell where this will lead in the coming years, despite the 500-plus ‘Witdrawal Deal’ and the Political declaration about the future of the UK-EU relations, which have now been sent on to the British and EU Parliaments.

The people have spoken’ has turned into a dogmatic mantra, with an unrelenting ‘once-and-for-all’ character. However, ‘the people’ have not contributed much real input into the negotiations since June 23, 2016, the day of the UK Brexit referendum. Nor have they as yet assumed much ownership of the consequences of the Brexit choice or of the collateral damage of turning their back on forty years of painstaking build-up of European relations. And few seem to feel any responsibility for the fact that all the time that has gone into the demolition of much previous work has not been invested into the urgently needed build-up of improved European collaboration.

And all this while time is running out for dealing with many of the big global challenges. Everywhere in Europe (and the world) people ask for a fairer economy, for actions to strengthen social security, for a better future for our younger generations. Everywhere in Europe people worry about the shifting social and physical climate, and are seeking some certainties in a turbulent world. Trust in established institutions is waning. Popular agression is mounting, and regressive movements are on the rise. In many places, people look for scapegoats (today turning on ‘migrants’), or just close off. All these trends are demanding much firmer, more creative responses, to turn the tide.

Therefore, on the day that the EU and UK have reached ‘the deal’, perhaps this is what is most annoying and saddening: that the big questions of our time, the major cross-border issues which require a stepping-up of international collaboration rather than an abandoning of it, have not been served at all by the Brexit process. It is clear that individual nations – however much under the delusion of grandeur – can no longer solve the major global issues single-handedly. Yet the Brexit moment has not been used to fundamentally renovate, to take a big leap forward in the development of better alternatives for the European project that seems under pressure from all sides. The Brexit process has predominantly fostered the distrust and the ‘everyone-for-themselves’ mentality.

The EBN has been focusing for years now on alternatives, on the innovative sides of Europe, manifest in many cross-continent social networks that focus on the big transitions of our time. We have linked to groups and associations of people across our continent (including in the UK) who do believe we need new forms of strong collaboration to face our current global challenges. Those people share a strong sense that more creativity is needed to overcome the current mess.

We live in fierce, fundamentally transformative times. Whoever still has faith in constructive forms of European collaboration (and we do) will have to speak out and act up now. Not tomorrow, but now! Beyond Brexit!

Godelieve van Heteren, EBN Board

Europese BewegingBeyond Brexit: Now!
read more

De erfenis van 1918 gaat ons meer aan dan ooit

Zondag 11 november was het honderd jaar geleden dat om 11 uur de wapenstilstand in Compiègne een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog. Dit feit werd in Parijs en op tal van andere plaatsen in Europa herdacht. In Nederland werd op diezelfde elfde van de elfde om elf minuten over elf de jaarlijkse aftrap gegeven voor carnaval. En hoewel Mark Rutte namens Nederland in Parijs aanwezig was: het contrast tussen een hossende meute hier en herdenkende politici daar, in het Achtuurjournaal tamelijk gedachteloos (?) achter elkaar gepresenteerd, heeft toch iets bizars. Alsof de Eerste Wereldoorlog ons niet echt aangaat.
Dat was in elk geval heel lang de Nederlandse insteek; ons nationale geheugen wordt vrijwel compleet door de Tweede Wereldoorlog in beslag genomen. Zoals Frans Timmermans bij het herdenkingssymposium in het Vredespaleis afgelopen zaterdag stelde: in het Nederlandse geschiedenisonderwijs dat hij genoten had, werd in het Rampjaar 1672 gestopt, om pas met het Nieuwe Rampjaar 1940 (deze laatste term, voor alle duidelijkheid, is van mij) weer verder te gaan.
Of er, als er een Tweede Wereldoorlog was, dan toch ook een Eerste moet zijn geweest, is niet alleen een vraag die wel eens door argeloze scholieren wordt gesteld. Ook het Nederlandse publiek leek zich daar lange tijd amper van bewust, wat gelukkig inmiddels aan het veranderen is.
Met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog – die om te beginnen immers ook de Tweede baarde – worden wij in elk geval wèl geconfronteerd, en misschien inmiddels zelfs meer dan ooit. Men zou kunnen stellen dat in 1989 de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog – tweedeling van Europa in een Amerikaans en Russisch blok, inclusief die van Duitsland – ongedaan werden gemaakt, en daardoor de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog weer meer zichtbaar werden.
Dat betreft allereerst een reeks van nieuwe staten op de puinhopen van de vier verdwenen imperiale rijken in wat wel ‘Tusseneuropa’ is gedoopt: de hele sliert van kersverse landen van de Balkan tot het Balticum. Met drie euvels kampten velen daarvan toen, en kampen zij nu weer: met een gebrekkige democratische traditie, dus de hang naar autoritaire leiders; met grote minderheden als gevolg van de complexe etnische kaart, dus separatistische en irredentistische tendensen; en, daardoor, soms een sterk nationalisme. Die problemen, die lang onder de dikke deken van de Koude Oorlog waren gesmoord, zijn nu in veel landen weer terug.
Nieuw nationalisme is intussen, mede als gevolg van de ongelijke verdeling van de lusten en lasten van de globalisering, niet alleen aan Oost voorbehouden, maar zien wij eveneens in West. En het keert zich ook daar deels tegen de Europese Unie, dat als gevolg van een eenzijdig neoliberale economische koers als vehikel van die gevreesde globalisering wordt gezien. Op dat punt konden zich in Italië moeiteloos de rechtse en linkse populisten in de huidige regering verenigen.
Afkeer van Europa heeft tevens geleid tot de Brexit. Wat dat betreft was de afwezigheid van Theresa May in Parijs symbolisch: ook bij het herdenken heeft Londen voor splendid isolation gekozen. De verzoening na 1918 en 1945 was vooral een Frans-Duits project – niet toevallig ontving Macron, tegen de normale etiquette in, als laatste Merkel – en de Britten stonden daar mentaal altijd een beetje buiten. Niet alleen de door de Britse boulevardpers in stand gehouden clichés over Teutoonse barbaren voeden die afstand; eind 1989, toen Thatcher Mitterrand kwalijk nam dat hij zo makkelijk met de Duitse Hereniging instemde, bleek dat men aan gene zijde van het Kanaal zelfs de afloop van de Honderdjarige Oorlog geestelijk nog niet helemaal had verwerkt.
Intussen was de internationale herdenking in Parijs ook niet vrij van ongerijmdheden. Allereerst werd die door de Fransen weer op onnavolgbare wijze in het teken van de glorie van het eigen vaderland gezet – in dat opzicht slagen zij er toch altijd weer magistraal in om alle anderen te overtroeven. Natuurlijk: ook de overige oorlogspartijen van toen kregen in zijn lange speech een plekje. Maar verder was het weer Jupiter in Versailles: Hij sprak en Hij ontstak de vlam bij het graf van de onbekende soldaat, alle andere staatslieden waren slechts decor.
Het herinnert aan de wijze waarop Napoleon eens zijn ontvangst in Dresden in het bijzijn van alle Duitse rijksvorsten met hun eeuwenlange stambomen in scène liet zetten. Eén voor één kwamen die de zaal binnen, eerst de graven, dan de hertogen, dan de koningen, en allen werden bij de deur, die steeds iets verder openging, nauwgezet met hun eindeloze reeks van titels en voornamen aangekondigd: de hooggeboren graaf en gravin huppeldepup van zo-en-zo, de hooggeboren hertog en hertogin van dit-en-dat, hunne koninklijke hoogheden etcetera. Tenslotte gingen de deuren helemaal open, en zei de ceremoniemeester slechts: “de keizer”. Daar kunnen noch de Russen, noch de Amerikanen tegenop.
De volgende ongerijmdheid was dat Macron zo nadrukkelijk stelde dat de (althans de Franse) soldaten voor de vrijheid vochten. Ongeacht de clichés in de oorlogspropaganda van de Entente van honderd jaar geleden: dat is een veel te grove versimpeling. Anders dan de Tweede Wereldoorlog waarin het Westen tegen drie totalitaire dictaturen streed – met wel, moreel zeer ongemakkelijk, een vierde grote aan de eigen zijde – laat de Eerste zich niet tot zo’n tegenstelling reduceren. Daarin schuilt nu juist de tragiek: het was geen onontkoombare zwart-wit-strijd tussen Goed en Kwaad. Wilhelm II was geen Hitler. En tsaristisch Rusland als kampioen van de vrijheid? De Revolutie brak daar niet helemáál zonder reden uit.
Wat bovendien – en dat is de derde ongerijmdheid – het benadrukken daarvan toch wat curieus maakt, was de onvermijdelijke aanwezigheid van de nieuwe Russische ‘tsaar’ Vladimir I, die met vrijheid en rechtsorde nog minder op heeft.

Thomas von der Dunk, 12 november 2018

Europese BewegingDe erfenis van 1918 gaat ons meer aan dan ooit
read more

EBN inventariseert initiatieven die gericht zijn op versterking van Europese waarden

Bij de komende Europese verkiezingen tekenen zich in het politieke spectrum meer dan in het verleden duidelijke scheidslijnen af, met name die tussen voorstanders en tegenstanders van verdieping van het Europese integratieproces, of zelfs die tussen voor en tegen EU- lidmaatschap. Er zal dus kleur moeten worden bekend. In het artikel hieronder gaat Joost van Iersel in op enkele fundamentele dilemma’s onder meer inzake identiteit en Europese waarden. Wij zijn het eens dat een bredere kennis onder de burgers van de Europese gang van zaken een beter zicht zal opleveren op wat Europa wezenlijk betekent. Daarom ondersteunen wij het idee voor een inventarisatie van alle initiatieven in Nederland die daartoe bijdragen. Lezers die deze inventarisatie willen aanvullen, nodigen wij bij deze gaarne uit tot een reactie.

Meer aandacht nodig voor Europese waarden

door Joost van Iersel

In de opmaat naar de Europese verkiezingen zullen zich naast verschillen van mening in het traditionele partijenlandschap ook de tegenstellingen tussen open Europees georiënteerde en gesloten nationale opvattingen verder accentueren. Het is paradoxaal dat de steeds toenemende wederzijdse afhankelijkheid in Europa hand in hand gaat met een hardnekkige nationale naar binnen gerichtheid van de publieke opinie. Anti-Europese gevoelens en groeperingen staan een erkenning van een Europese identiteit danig in de weg. Daartegenover zijn er ook veel initiatieven die juist de andere kant op wijzen. Die zijn echter minder zichtbaar. Er is alle aanleiding om juist aan die initiatieven meer ruchtbaarheid en profiel te geven.

1. Context

In het algemene spraakgebruik wordt de Europese samenwerking veelal als een economisch project aangemerkt. Nu het economisch voor de wind gaat, voelt de bevolking zich tamelijk wel in en met de Europese Unie ondanks dat er veel te verbeteren valt. Ditzelfde beeld weerspiegelt zich grosso modo over het hele continent. Valt de economie echter terug, dan verbleekt het imago van Europa onmiddellijk. Cultureel en emotioneel is men niet op Europa betrokken. Daarom wordt er vaak in één zin aan toegevoegd, dat ‘Brussel’ zich met zo weinig mogelijk moet bemoeien en zich niet moet inlaten met, hoe wij hier de zaken regelen. Vooral nu steeds meer nieuwe onderwerpen in beeld zijn gekomen, zoals banengroei en vaardigheden, migratie en vluchtelingen, klimaat en energie-transitie, buitenlandse politiek en handelsvraagstukken, veiligheids- en defensiebeleid, terrorisme en criminaliteit, en recht en rechtshandhaving, komt uitdrukkelijk de vraag op tafel, tot hoever het proces van Europese eenwording kan en moet gaan. Wat houdt die eenwording idealiter in? Veel mensen willen zelfs van eenwording niet spreken. In het landelijk politiek debat bestaat er weinig klaarheid over. In de publieke opinie gaat het meestal over vage noties. Politieke tegenstellingen in eigen land zowel als ingewikkelde Europese besluitvorming en onderling scherp afwijkende posities van lidstaten dragen evenmin tot verheldering bij.

De uitdrukking economisch project is niet gelukkig. Ten eerste is Europese integratie of intensieve Europese samenwerking vóór alles politiek van aard, ook al is de economie wel het belangrijkste voertuig, zie het dominante belang van de Interne markt en de EMU. Ten tweede is het geen project, maar gaat het om een ingewikkeld samenstel van processen. Zoals hierboven aangegeven, is de boom van de Europese samenwerking of integratie is steeds breder vertakt. Regeringen, economische en sociale actoren, maar ook NGO’s van allerhande aard zowel als onderwijs- en onderzoekinstellingen en de gezondheidssector werken, samen met de Europese Instellingen, in uiteenlopende mate aan verdieping van de samenwerking. Zo ontstaat een ingewikkeld bouwwerk waarvan bepaalde vitale onderdelen vergaand worden geëuropeaniseerd, terwijl andere onderdelen zich in een (veel) beperkter stadium van gemeenschappelijke ontwikkeling bevinden. Er zijn ook tal van terreinen daarbuiten, die onder puur nationale of regionale verantwoordelijkheid blijven. Tot waar mag de besluitvorming in Brussel zich uitstrekken? Er bestaan flinke meningsverschillen in de landen zelf en tussen de lidstaten. Dit roept dan het beeld op van een Europese processie van drie passen naar voren en twee achteruit met op sommige gebieden ook langdurige stagnatie.

Overzien we echter het hele beeld over decennia, dan blijken de regeringen met het oog op de belangen van de burgers, van de politieke stabiliteit op het hele continent en van de economische weerbaarheid van Europa, al dan niet noodgedwongen, steeds nieuwe loten aan de stam van Europese samenwerking te hebben toegevoegd. De intensiteit van dit proces is voornamelijk afhankelijk van nieuwe en onverwachte uitdagingen. De creatie van de EMU hing rechtstreeks samen met de eenwording van Duitsland in 1989. De diepe crisis vanaf 2007 zorgde voor een verdieping van de EMU en voor de Bankenunie. De verhoogde aandacht voor klimaat en energie wordt ingegeven door ernstige zorgen over CO2 en de Klimaatdoelstellingen van Parijs. Veiligheid, buitenlandse politiek en defensie zijn van recente datum, maar niet meer van de agenda weg te denken als gevolg van internationale criminaliteit en terrorisme enerzijds en het vluchtelingen- en migratievraagstuk anderzijds. Ook neemt het bewustzijn snel toe, dat Europa in een vijandige wereld steeds meer zijn eigen boontjes zal moeten doppen, iets waarover vroeger nauwelijks werd nagedacht. Dit gevoel wordt versterkt door de achterstand die Europa dreigt op te lopen ten opzichte van zowel China als de VS op het terrein van de digitalisering en artificiële intelligentie met alle mogelijke economische en zelfs geopolitieke gevolgen van dien.

2. Paradox

Zo zien we dat nieuwe uitdagingen en gebeurtenissen de agenda aanzienlijk uitbreiden. De besluitvorming houdt hiermee geen gelijke tred. In de eerste plaats wordt dezelfde realiteit in de lidstaten vaak heel anders wordt beleefd. De historische en culturele achtergronden zowel als het niveau van de ontwikkeling lopen danig uiteen. In de tweede plaats lopen de prioriteiten van de landen niet parallel. Het vluchtelingenvraagstuk is misschien wel het meest evidente voorbeeld, maar in meerdere of mindere mate is het op andere gebieden vaak vergelijkbaar. Het is voor de Commissie een heidens karwei om alle landen in hetzelfde gareel te houden. Dit is nog meer een probleem, omdat op gezette tijden de nationale soevereiniteit van stal wordt gehaald als een duidelijke piketpaal van hier en niet verder. Het hele circuit van nationale en andere media helpt ook niet echt. Integendeel, juist daarin kristalliseren zich eigen posities en vooroordelen jegens anderen, die op hun beurt weer het nationale debat voeden en eerder tegenstellingen accentueren dan consensus bevorderen. En, zoals het vaak gaat, worden in de publiciteit en in het publieke debat negatieve aspecten behoorlijk uitvergroot, terwijl men evenmin terugdeinst voor de nodige scheuten fake news. Brexit is hiervan een dramatisch schoolvoorbeeld, maar ook elders liggen voorbeelden voor het oprapen, zie maar eens dicht bij huis, hoe het in Nederland jarenlang gelopen is.

De paradox is derhalve dat de Europeanen om aanwijsbare redenen op tal van gebieden steeds meer op elkaar zijn aangewezen, maar dat het Europese bouwwerk onaf is en, wat erger is, nog steeds fragiel in de stijgers staat en bedreigd wordt door het uit elkaar drijven van de lidstaten. Daar wordt niet voor niets van veel zijden voor gewaarschuwd. Terecht wordt daarom verwoed geprobeerd het debat over de geloofwaardigheid, de legitimiteit en de verantwoordelijkheid van de Unie en haar Instellingen aan te jagen.

3. Beleefde identiteit en gedeelde waarden

Ik wil het in deze korte bijdrage ook over een andere boeg gooien met het oog op een aspect, dat ik wil samenvatten onder beleefde identiteit en gedeelde waarden. Tegenstanders van de integratie betogen vaak, dat vergaande integratie noch wenselijk noch voorstelbaar is, omdat die een demos veronderstelt, die niet aanwezig is. Europa is geen volk en daarom kunnen we misschien wel op een aantal terreinen tot betere afstemming komen, maar is datgene wat supranationaal politiek gedragen moet worden in feite taboe. Het enige wat ons blijft is de nationale gemeenschap, in dit verband een tautologie voor demos. Op deze laatste stelling valt al heel wat af te dingen, maar het gaat mij hier om één specifiek element, en dat is het uitsluitend verband tussen identiteit en nationale gemeenschap.

Het lijkt me dat in ieder mens meerdere gelaagdheden schuilen, en daarmee meerdere identiteiten en meerdere loyaliteiten. Iemand kan als goed Hagenaar ook goed Nederlander zijn, daar is geen tegenstelling tussen, in de meeste gevallen is het juist een verrijking. Dat geldt evenzeer voor gedeelde identiteiten als lid van een zangvereniging, een sportclub, een regio en een stad. Die gelaagdheid van verschillende identiteiten zal niemand als een tegenstelling ervaren. De simpele vraag is, waarom een dergelijke blokkerende tegenstelling dan wel zou bestaan tussen het zijn van Nederlander en het zijn van Europeaan? Vanwaar die verkramptheid? De tegenstelling is niet met de natuur gegeven, zij bestaat, omdat zij ofwel kunstmatig wordt opgeroepen ofwel omdat er geen moeite wordt gedaan om beide identiteiten in elkaars verlengde te zien. Het is juist op dat laatste punt dat er heel wat achterstallig onderhoud bestaat, wat tot vooroordelen en wantrouwen leidt tussen volkeren of publieke opinies in plaats van tot openheid, waardering en respect. Het bevordert daarentegen tot naar binnen gerichtheid van landen en roept populisme en negativisme ten opzichte van De Ander op, die hun uitwerking in het politieke veld niet missen. Terwijl de Europeanen meer dan ooit op elkaar aangewezen zijn, kleurt het benadrukken van het eigene en nationale het zicht op alles wat daarbuiten is, negatief. Omdat deze trend in alle landen in verschillende soorten en smaken voelbaar en zichtbaar is, lijken oost en west en noord en zuid soms verschillende planeten. Brussel staat in die visie sowieso in een kwaad daglicht.

Identiteit hangt nauw samen met gedeelde waarden. Die wezenlijke waarden zijn er wel degelijk, maar zij worden vaak onder de mat geschoven. De belangrijkste waarde was vanaf het begin na de oorlog het garanderen van het vredig samenleven van de volkeren. Dit is gelukt. Maar verdere ontwikkeling heeft nadere invulling gebracht. In aansluiting op het economisch integratieproces zijn Europese waarden als democratie, rechtstaat, vrijheid van meningsuiting, mensenrechten, solidariteit en inclusiviteit, menselijke integriteit en individuele privacy, als fundamentele beginselen in onze samenleving erkend. Deze gelden ongeacht godsdienst, ras en geslacht. Zij liggen ook als zodanig neergelegd in de Europese Verdragen. Waar zij kan, probeert de Commissie als hoedster van de Verdragen om deze beginselen in al onze landen gestand te doen. We zien dit in de acties jegens Polen, Hongarije en nu dan ook Roemenië. Deze beginselen geven een concrete invulling aan de eigen identiteit van Europa. We hoeven echt maar één stap buiten ons eigen continent te zetten om te zien dat zij ofwel geheel ontbreken of bij het minste of geringste worden verkwanseld. Het zijn juist deze beginselen die de gelijke gerichtheid van de lidstaten, de common sense of purpose, in het Europese integratieproces, moeten schragen als vast fundament voor de toekomst. Het is bepaald geen rozengeur en maneschijn en ingewikkelde dilemma’s maken het evident niet gemakkelijk, maar het gaat vóór alles om de grondhouding van onze gezamenlijke verantwoordelijkheid en van de noodzaak van gezamenlijke oplossingen.

4. Initiatieven met het oog op kennis over Europa

De tegenstelling tussen de Europese en nationale oriëntatie krijgt een steeds scherper profiel, met name als gevolg van de financiële crisis en haar naweeën en het vluchtelingenvraagstuk en in dat spoor de verhouding tot de Islam. Een grote en luidruchtige minderheid in de Europese publieke opinie verwijt juist Europa dat er onvoldoende probate oplossingen voor die geweldige problemen zijn aangedragen. Anti-Europese partijen en groeperingen maken van de gelegenheid volop gebruik om zich vast te nestelen in de publieke opinie en zij hebben van daaruit ook de nodige invloed op gematigde en centrumpartijen, waardoor de broodnodige Europese gerichtheid in de meeste landen behoorlijk onder spanning staat. Brexit is hiervan het meest flagrante voorbeeld en ook stroeve onderhandelingen in Brussel spreken voor zich.

Hier tegenover staan gelukkig ook veel initiatieven, die juist de andere kant op wijzen en die borg staan voor wat hierboven is gezegd over Europese identiteit en haar waarden en voor het belang van gelijke gerichtheid. Maar deze zijn in de regel veel minder zichtbaar. In de opmaat naar de Europese verkiezingen, waarin tegenstellingen zich juist zullen uitkristalliseren zou veel meer ruchtbaarheid aan deze initiatieven te geven, die ze dan ook meer profiel geven. Ik overzie maar een beperkt deel van wat er op scholen en anderszins aan activiteiten ontplooid wordt. Europa in het onderwijs, als onderdeel van het reguliere curriculum, is in Nederland nooit aangeslagen. Gezien onze afhankelijkheid van onze nationale lotsbestemming van wat we gezamenlijk binnen dit continent en mét dit continent in de wereld voor elkaar brengen, is dit in mijn visie een strategische misser. Maar misschien hebben individuele scholen eigen interessante initiatieven. Laten die ermee voor de dag komen! Een langjarig initiatief van Buitenlandse Zaken is het op aanvraag van scholen van alle categorieën voorlichting te laten verzorgen vanuit een pool van 150 ambtenaren voor klassen. Die voorlichting is vaak ook weer gekoppeld aan schoolprojecten. De Nederlandse Jeugdraad behartigt het belang van jongeren in Europees verband, verzorgt ook gastlessen en zet zich in voor Europa in het curriculum op scholen. Nuttig is ook het onderwerp aan de orde stellen op docentendagen. De Commissie is de afgelopen jaren steeds actiever geworden. Aangemoedigd door het ongekende succes van het Erasmusprogramma, waarvan miljoenen jonge Europeanen en ook talloze docenten profijt trekken, stelt de Commissie voor de periode 2021-’27 een budget voor van €31 miljard voor Erasmus+. Op initiatief van het EP bestaat sinds 2017 in Brussel het Huis van de Europese Geschiedenis, dat naast een indrukwekkende presentatie van ontwikkelingen van de jongste geschiedenis van Europa ook plaats biedt voor ontmoetingen en symposia voor met name historici. Zie ook initiatieven als de Culturele Hoofdsteden en Europees Erfgoed naast zijn sterke particuliere tegenvoeter Europa Nostra.

Deze enkele voorbeelden kunnen nog verveelvoudigd worden met die van veel andere organisaties en bedrijven, die zorgen voor verbreding van kennis en bewustwording van wezenlijke aspecten van het Europese integratieproces. Zij worden gevoed door een gemeenschappelijke visie en staan borg voor een beleefde Europese identiteit en gedeelde waarden in lijn met gemeenschappelijk gedragen belangen. Juist in de opmaat naar de komende verkiezingen zou het de moeite waard zijn, wanneer het totale beeld door alle betrokkenen ook eens duidelijk wordt neergezet.

Joost P. van Iersel

Den Haag,
18 Oktober 2018

Europese BewegingEBN inventariseert initiatieven die gericht zijn op versterking van Europese waarden
read more

Verkiezingen met Beierse slag

Wat is de betekenis van de verkiezingsuitslag in Beieren voor Europa? Voor de Duitse deelstaat zelf wordt die als ‘historisch’ beschouwd – een woord dat overigens de laatste jaren aan sterke inflatie onderhevig is, want vrijwel elke verkiezingsuitslag in het Westen wordt tegenwoordig als historisch beschouwd. Dat gold in Amerika al in 2008 voor de verkiezing van Obama, en vervolgens in 2016 voor die van Trump, waarmee in zekere zin die van zijn voorganger ongedaan werd gemaakt. Historisch voor Beieren: hoewel nog veruit de grootste partij, is de CSU haar sinds een halve eeuw vanzelfsprekende meerderheidspositie kwijt.

De uitslag past, allereerst in een inmiddels vertrouwd nieuw Europees patroon: die van verdere politieke versplintering. De twee oude volkspartijen, de christen-democratische en de sociaal-democratische, vroeger in de meeste Europese landen dominant, verliezen zeer fors terrein. Nog dramatischer dan het verlies van de CSU is de halvering van de SPD: ooit met ruim dertig procent van de Beierse stemmen onbetwist de tweede partij, nu in München met nog geen tien procent op de vijfde plaats beland. Spanje, Zweden, Italië, Oostenrijk, Frankrijk, België en Nederland gingen Duitsland voor. Alleen bij de Britten loopt het tot dusverre anders, en houdt de indeling in twee grote machtsblokken stand, maar dat valt niet los te zien van het afwijkende verkiezingssysteem aldaar.

Ook anderszins past de uitslag bij een algemene Europese trend: de opmars van alternatieve partijen op links voor de sociaal-democratie, in casu de Groenen (ook in Nederland; in Spanje Podemos), en, vooral van (extreem-)rechtse populisten. De AfD past in dat opzicht naadloos in het onfrisse rijtje van Le Pen, Wilders & Baudet, het Vlaams Belang, de Zweden-Democraten, de Lega in Italië en anderen, die met hun xenofobe heksenjacht voortdurend tegen de beginselen van de rechtsstaat aanschuren en regelmatig door onsmakelijke uitlatingen – van homeopathische verdunning tot het Holocaustmonument als nationale schande – de pers halen. Wat de exacte vorm betreft dragen zowel die partijen als de ontsporingen van hun voorlieden vaak specifiek nationale karaktertrekken, wortelend in een verkeerd verleden dat voor elk van die landen weer anders is, maar de electorale achtergrond bij hun opkomst is een vrij algemeen Europese.

Een minachting voor het gewone parlementaire bedrijf gaat vaak samen met een voorkeur voor referenda, die dankzij het ‘Gesunde Volksempfinden’ van een vermeende zwijgende meerderheid tot andere politieke uitkomsten zou moeten leiden. Eens zijn de meeste partijen het in hun afkeer van Europa, dat als een bedreiging voor de nationale identiteit wordt afgeschilderd, en van dictatoriale neigingen ten opzichte van de lidstaten wordt beticht. Vooral de Italiaanse vicepremier Salvini buit dit thema dezer dagen in zijn begrotingsconflict met Brussel behendig uit – met een enorme populariteitssprong als resultaat.

Overigens behaalde de AfD in Beieren nu minder stemmen dan vorig jaar bij de Bondsdagverkiezingen in het hele land. Dat geeft ook meteen de grenzen aan: een substantieel deel van het electoraat is ontvankelijk voor ultrarechts gedachtengoed, maar tegelijk is het groeipotentieel niet onbeperkt. Ook Wilders – die als een van Europa’s ultrarechtse veteranen beschouwd mag worden – is in al die jaren nooit verder gekomen dan twintig procent. Dat is veraf van de absolute meerderheid.

Dat wil niet zeggen, dat dat geheel zonder gevolgen en dus zonder gevaren is. Die gevaren zijn tweeledig. Enerzijds bestaat dat uit het deels, in verzwakte vorm, overnemen van de antirechtstatelijke agenda van de rechtse-populisten door de traditionele partijen, vooral die ter rechterzijde. Dat zien wij ook in Nederland, met alle luchtballonnetjes van Dijkhoff. De CSU heeft het, uit vrees voor een nederlaag, ook geprobeerd, en daarmee het verlies naar rechts mogelijk nog iets beperkt weten te houden – wel met gevolg dat nu heel wat van haar kiezers de overstap naar de Groenen hebben gemaakt.

En anderzijds leidt het afkalven van de grote volkspartijen steeds vaker tot zogeheten grote coalities ‘om het land regeerbaar te houden’. Wat eens concurrenten waren, die met elkaar om de kiezersgunst dongen en elkaar als regeringspartij afwisselden, worden zo noodgedwongen partners. Gevolg: toenemende kleurloosheid, die nog meer kiezers van hen vervreemdt. Dat treft vooral de altijd wat minder zichtbare juniorpartner van de twee, in Duitsland nu de SPD, in Nederland onder Rutte-II de PvdA. De keuze voor regeerbaarheid op korte termijn is zo uitstel van executie: zij leidt zo bijna onherroepelijk tot onregeerbaarheid op iets langere termijn. De Grote Coalitie in Berlijn zou nu al onder de vijftig procent van de stemmen blijven steken.

Hoe valt, tenslotte, deze snelle afbraak van de grote pro-Europese volkspartijen te rijmen met de blijkens opiniepeilingen de laatste jaren weer duidelijk stijgende steuncijfers voor Europa? Het aantal voorstanders van een Nexit, Frexit, Grexit of wat voor exit dan ook is duidelijk dalende, en ook het anti-Europese monsterverbond dat nu in Rome zetelt treitert Juncker weliswaar dat het een lust is, maar durft een Italexit bij nader inzien toch niet aan.

Voor die cijfers bestaan m.i. twee verklaringen. Ten eerste het broddelwerk van de Britten: zo’n Brexit blijkt heel wat minder simpel dan clowns als Boris Johnson en Nigel Farage hun kiezers voortoverden. In dat opzicht mag Europa ook Theresa May eeuwig dankbaar zijn dat ze er zo weinig van bakt. Maar de tweede reden is iets minder geruststellend: het gaat bij zo’n enquète om een digitale keuze tussen blijven en vertrekken – tussen weten wat men heeft versus het zwarte gat. Brussel moet zich dan ook niet te rijk rekenen: over de vraag, of de kiezer ook met het daadwerkelijke Europese beleid erg tevreden is, zegt de hoge pro-EU-score niets.

Thomas von der Dunk, 18 oktober 2018

Europese BewegingVerkiezingen met Beierse slag
read more